Brief uit 1849 van Seine Bolks aan Ds. Moen
Brief uit 1849 van Rev. Seine Bolks aan Ds. Carel Godefroy de Moen


Inleiding.

    Via internet kwam ik op het spoor van deze brief. Jammer heb ik niet de geschreven brief, maar een getypt exemplaar, waarvan aantoonbaar is dat er wijzigingen in schrijfwijzen zijn opgetreden. Desalniettemin straalt de brief zijn calvinistische gedragenheid uit.
    De bundel (complete inhoud is in cache), waaruit de brief komt, heeft archiefnummer 3.9015.07120.2405 in de Bentley Historical Library en het boekwerkje dat ze ervan gemaakt hebben de sticker: EA/107/V217/T643. Het staat onder de naam
    De toestand der Hollandsche kolonisatie in den staat Michigan, Noord-Amerika ... Door  Albertus Christiaan Van Raalte,  Cornelius Van Der Meulen,  Seine Bolks  en  Gerrit Baay.

    Voor lezers die niet bekend zijn met Seine Bolks volgt hieronder een korte uitleg.

    Seine Bolks, schaapherder in het Linderflier van Den Ham, bracht het, hoofdzakelijk door zelfstudie, via voorganger tot dominee (reverend) van de Gereformeerde Kerk. Hij volgde daarbij de leer van ds. van Raalte.
    In 1848 vertrok hij met ca 200 aanhangers - het merendeel daarvan uit Hellendoorn en enkelen uit Den Ham - naar Michigan in Amerika. Ook toen werd een 'islamitische baard' nog gewaardeerd, tenzij het door gebrek aan barbiers kwam of attributen (zie foto hieronder).

    Seine Bolks
    (1814 - 1894)

    Een toelichting op zijn stamboom volgt na de brief.

    In de brief hieronder - gericht aan ds. de Moen v.d. Ger. Kerk in Den Ham - beschrijft hij het verloop van de reis vanuit Nederland tot aan de uiteindelijke nederzetting Overisel (MI).


Brief

Overijssel, den 12 Februarij 1849.

    Den WelEerw. Heer
    C.G. de Moen.

    Waarde en hartelijk geliefde Broeder in Christus!

    Dat uw hart steeds vervuld zij met dat zielzaligend en hart verruimend geloof, dat gij op almachtige Vaderarmen wordt gedragen, en met liefdevleugelen gedekt: is mijn hartelijke wensch! Veel, ja veelmalen heb ik innige begeerte gehad u mijnen en den toestand van ons volk te melden, en te toonen, dat onze liefde tot u nog niet heeft opgehouden; doch de uitgebreide werkkring waarin God mij plaatste, belette zulks. Thans eenigen tijd hebbende, besteed ik dien om UEerw. de wonderbare goedheid Gods, ons bewezen, te melden.


    Het was den 3den September dat wij allen blij, met het oog op God, de groote wateren opzeilden. Bijna zonder storm kwamen wij in Amerika, en zetten den 10den October onze voeten in het door ons verkozen land te New-York aan wal. Wij vertrokken, op eene voor ons voordeelige wijs, vandaar naar Albany, met het doel om daar te overwinteren en te onderzoeken wat best te doen; doch daar zijnde vertrokken wij, op raad dien wij van vertrouwde mannen als Ds. Wijkhoff enz. ontfingen, naar Syracuze, waar wij bleven en huizen en goed huurden, en goede verdiensten hadden. Wij ondervonden dadelijk, dat wij eene goede keus gedaan hadden . Niemand begeerde weder het geboorteland; neen, allen gevoelden wij van de knellende banden der ziel en des ligchaams bevrijd te zijn; doch hoe goed wij het daar ook hadden, en hoe tevreden wij waren, gevoelden wij toch daar geen plaats ter vestiging; hetgeen ons besluiten deed om alle middelen in het werkt te stellen, ten einde met Amerika bekend te worden. De zorg hiervoor werd voornamelijk mij en den reeds van de strijd verlosten broeder G.H.Veldhuis opgedragen. Wij voldeden hieraan zooveel mogelijk was, dewijl wij bevreesd waren eene onvoorzichtige of kwade keus te doen. Wij zochten briefwisseling te houden met alle vrienden, die wij maar konden vinden, in andere staten. Wij deden ook onderscheidene reizen naar vele plaatsen in den Staat New-York, niet alleen om uit te zien naar eene goede plaats ter vestiging; maar ook om met vertrouwde en verstandige lieden raad te plegen. In beide opzichten slaagden wij bijzonder. Spoedig werd ons een aantal brieven uit onderscheidene plaatsen toegezonden; ook vonden wij vele Amerikanen wier voorouders uit Holland waren gekomen, die veel belang in onze zaak stelden, en met hunnen raad zochten te dienen, vele zaken oplosten en onderwijs in onzen weg gaven. Uit de ontfangene brieven en ingewonnen raad, werd het ons spoedig duidelijk, dat wij boschgronden boven prairie-gronden te verkiezen hadden, om rede tot laatstgenoemden ons de middelen ontbraken; doch hoe meer wij onderzoek deden en hoe meer brieven wij ontvingen: des te meer wij werden overtuigd van de goedheid en vruchtbaarheid van Amerika, zoodat wij zagen dat alle plaatsen, onder den zegen des Heeren, des landmans zweet dubbel beloond wordt. Evenwel onder veelvuldige worsteling voor God, werd het ons om verscheidene redenen duidelijk dat Michigan voor ons verkiesbaar was. Daarheen strekte zich dan ook aller hart uit en onze keus werd bepaald. Dit deed ons Syracuze verlaten en met vertrouwen naar Michigan trekken, en de uitkomst heeft bevestigd, dat wij geen berouwelijke keus gedaan hebben; want wij hebben hier gevonden wat wij begeerden en waarom wij Holland hadden verlaten. Vooreerst: goeden en zeer vruchtbaren grond; alles zware klei en voor een geringen prijs verkrijgbaar; en vervolgens hebben wij er ook goede marktplaatsen voor den aan- en uitvoer onzer goederen, zoals Ueerw. bekend is uit de schriften van Ds. van Raalte; en schoon anderen Michigan verachten, om welke redenen dan ook, mogen wij ons allen verheugen hier te zijn: niet gelijk de zoodanigen zeggen: “te midden van pijn- en hemlocksboomen; maar op de kostelijke gronden”, waarvan zelf iemand die in Amerika grijs was geworden, mij onlangs betuigde geen betere landen in dit werelddeel gezien te hebben en dit getuigt elk die bij mij komt.


    Ten tweede hebben wij hier onzen wensch verkregen, door ons vrij te voelen van alle zoo zeer drukkende bezwaren en gewetenknellende banden. O Broeder! hier zijnde, worden wij maar eerst recht gewaar, onder welke moeitevolle bezwaren gij in Holland verkeert en gebukt gaat, en hoe aangenaam het is, vrij en daarvan verlost te zijn! Het is hier geen land waar de werkman zijn zweet, onder gevloekt te worden, naar ’s lands kantoren te brengen heeft *), of waar de daglooner geen werk vinden kan, en zijn loon hem onthouden en bijna niets betaald wordt; ook wordt hier de geringe burger of de armen man niet achtergezet en veracht; maar daarentegen geëerd en bemind. En wat nog meer zegt: hier wordt men niet verhinderd in het belijden en verkondigen van onzen dierbaren God en Zaligmaker Jezus Christus. Neen Broeder, men ziet hier niet de Sabbahts-zonden opeenstapelen, en met de waarheid den spot drijven; zoo vaak ik dan dit alles denk, wensch ik: waart gij allen hier! En dan klimmen mijne gebeden gestadig op tot God in den hemel, dat Hij u uit uw land verlosse en hier brenge.


    Ten derde: wij mogen hier op eene voor ons zeer duidelijke wijze, Gods zegen en hooge goedkeuring ondervinden, en weder op ons eigen land, in onze eigene huizen vergenoegd, tevreden, dankbaar en blij wonen. En ofschoon onze middelen uitwendig klein waren en gering, toen wij Holland verlieten, en door de reis steeds minder werden, zien en hebben wij dagelijks onze tafels gekroond, met het zoo voedzame tarwebrood en het vetgeworden slachtvee, zoodat de armsten het hier beter hebben, dan de rijksten van ons in Holland. En zien wij dan wat God ons geeft in Zijne dienst zoo vrij te kunnen uitoefenen; hoe wij Hem in onderlinge liefde, door gemeenschappelijke gebeden en dankzeggingen, kunnen eeren, en door Psalmen en Lofzangen onze blijdschap voor Hem openbaren; zijne gunst en gemeenschap smaken, en elkander uit zijn dierbare Woord onderwijzen mogen: dan belijden wij hetgeen Psalm LXVIII: 10 beleden wordt: Geloofd zij God! enz.


    Ziedaar zeer geliefde Broeder, u in het kort het een en ander van onzen toestand, en van onze nederzetting bekend gemaakt.

    Niet dat wij er door zeggen willen: hier zijn geene moeiten; integendeel, wij hebben het ondervonden, dat aan de reis en aan de eerste nederzetting, vele moeiten zijn verbonden: maar o! Broeder, de meesten laten zich hier zoo gemakkelijk dragen! Men heeft hier de moeite met en voor zelven; men werkt hier voor zich zelven en is geen slaaf van een ander; tienden van alles behoeft men hier niet te brengen, en dat dan aan menschen, die ons zonder natuurlijke liefde bejegenen, en ons zure zweet op eene zoo schandelijke en Godonteerende wijze doorbrengen, gelijk dit in Holland algemeen geschiedt.

    Ook ik voor mij mag in het bijzonder Gods liefde en vaderzorg ontwaren en meer aan den Heere hebben dan ooit in Holland. Nooit heb ik zulk een blij en ruim leven gehad als thans; dankende mag ik mij hier in God en zijne daden verheugen, en mij zeer verblijden hier te zijn niet alleen, maar ook in Michigan.

    Nu, geliefde Broeder! wij hopen dat gij, even als wij steeds den zegen des Heeren en zijne liefde moogt ondervinden, en dat Hij u in alles goed en nabij zij, zoodat gij u in Hem en zijne dienst van harte verblijdt.

    Zijt verder van mijne vrouw en de andere vrienden hartelijk gegroet; groet ook uwe vrouwe en verdere vrienden, en ontvang de hartelijke liefdegroet, van hem die zich noemt

    Uwen Broeder in Christus
    S. Bolks

    P.S. Ook al onze vrienden uit den Ham en Hellendoorn, voorleden najaar aangekomen, zijn even verblijd hier te zijn, en hebben bij ons land gekocht. Zij groeten u hartelijk.
    Wees nogmaals gegroet. Gods trouwe zij uwe sterkte! Uw Br. S.B.


    *) De overweging van Rom. XIII: 4-7, zal den Christen het betalen van belastingen wel gemakkelijker maken dan de Eerw. schrijver zich langer schijnt te kunnen voorstellen. – Men versta toch wel: het dragen van belastingen,hoe drukkend ook, maakt niemand ongelukkig, en de bevrijding er van niet gelukkig. Maar de vloek dier ambtenaren in ons Vaderland! – Intusschen heeft de dichter zoo gezegd:

    Godzaligheid en vergenoeging
    Is hier mijn grootst gewin;
    Die meerder zoeken, vinden vroeging
    Ik heb geen smaak daarin.
    Ik heb genoeg, dat is meer dan schatten:
    ‘k Heb Jezus, dat is ’t al:
    De wereld kan het goed niet vatten,
    Dat ik bezitten zal.
    Moet ik op reis bij roofzucht doolen;
    Ik waag en mis niet veel:
    Al wordt mij al mijn goed ontstolen,
    ‘k Hou God toch tot mijn deel.
    En, moet ik voor mijn kostjen zweeten:
    ’t Is ziel en lichaam goed:
    Zoo wordt Gods liefde minst vergeten;
    Mijn Jezus zweette bloed. –
    ‘k Ga ledig heen, ‘k was naakt geboren,
    Maar ‘k vond op aarde God,
    En heb een blijvend goed verkoren:
    Kies, zondaar! ook dit lot!


Beperkte genealogie van Seine Bolks


Met vriendelijke groet NVZ.