Voorblad van dit document.
Hoe zit dat?
?
ENKELE UITEENZETTINGEN OVER
DE VOORAAMSTE PROBLEMEN VAN
BEVRIJD GEBIED
Uit den Inhoud: SHAEF en het Militair Gezag.
Het Probleem der Illegaliteit.
De Zuivering.
De Taak van het Arbeidsbureau.
De Oorlogsvrijwilligers.
Zes Maanden Herstelarbeid,
en veertien andere artikelen.
PUBLICATIE VAN DE SECTIE VOORLICHTING MILITAIR GEZAG UITGAVE CENTRAAL BUREAU VOOR DRUKWERKEN M.G.
Firma Boosten & Stols - Maastricht
p.3
INHOUD
- Voorwoord p. 4 1 Wat beteekent Bijzonder Staat van Beleg? p. 5 2 Organisatie en werkwijze van de Nederlandsche en Geallieerde Militaire Bestuursorganen p. 7 3 Het Militaire Gezag en zijn Chef p.10 4 Aspecten van de Voedselvoorziening p.15 5 De Rantsoenen en wat er voor noodig is. p.17 6 Het Probleem der "Illegaliteit". p.19 7 Berechting van de Landverraders, Oorlogsmisdadigers en Collaborateurs. p.22 8 De Taak der Tribunalen. p.25 9 De Zuivering van het Overheids-Personeel. p.29 10 Liquidatie van de Bezettings-wetgeving. p.32 11 Hoe er door de Geallieerden gevorderd wordt. p.34 12 Het Vraagstuk der Voorlichting p.37 13 Obstakels voor het Economisch Herstel p.39 14 De Oorlogsvrijwilligers. p.41 15 Het Textiel-probleem. p.45 16 Economische samenwerking tusschen België en Nederland p.47 17 Zes Maanden Herstelarbeid in Bevrijd Nederland. p.49 18 De Taak van het Arbeidsbureau p.57 19 Organisatie der Repatrieering p.63 20 De rol van onzen landbouw bij de voedselvoorziening p.65
p.4
VOORWOORDOnmiddellijk na de bevrijding zijn door het Militair Gezag de eerste stappen genomen om het mogelijk te maken dat het publiek zoo uitvoerig mogelijk zou worden voorgelicht. Hiertoe werd eenerzijds de radio-omroep Herrijzend Nederland opgericht, terwijl anderzijds het persagentschap ANEP-ANETA in het leven werd geroepen, met de taak de Nederlandsche bladen behulpzaam te zijn bij het verkrijgen van binnen- en buitenlandsch nieuws.
Daarnaast werden door een andere Afdeeling van de Sectie Voorlichting zooveel mogelijk feitelijke gegevens over de activiteiten en het beleid van het M.G. verzameld, alsook uiteenzettingen over de vraagstukken van den dag opgesteld, welke door middel van het persagentschap ANEP-ANETA en het officieele orgaan van de Sectie Voorlichting, "COMMENTAAR", aan de pers werden verstrekt. Hierbij werd ervan uitgegaan dat de voorlichting middels het geschreven woord in de eerste plaats door de vrije Nederlandsche bladen zelf diende te geschieden en dat de officieele voorlichtingsorganisatie er zich, derhalve op moest toeleggen de pers de gegevens over het overheidsbeleid te verschaffen, welke zij behoeft om haar taak als voorlichter van het publiek naar behooren te kunnen vervullen.
Inmiddels, en ondanks al deze verschillende activiteiten van het M.G., wordt nog steeds van verschillende kanten de klacht ten gehore gebracht dat het publiek niet voldoende te hooren krijgt. De oorzaak hiervan ligt voor de hand: eenerzijds zijn velen, voorzoover zij al over een radio-ontvangtoestel beschikken, door gebrek aan electriciteit niet in de gelegenheid de uitzendingen van Herrijzend Nederland geregeld te beluisteren, anderzijds ontbreekt het de pers aan voldoende plaatsruimte om het door de officieele voorlichtingsorganisatie verstrekte materiaal altijd in haar kolommen te kunnen opnemen.
Teneinde derhalve althans eenigermate in deze nog steeds onbevredigde behoefte aan voorlichting te voorzien, is besloten een aantal van de belangrijkste, uiteenzettingen en beschouwingen, die in de afgeloopen 6 maanden door de Sectie Voorlichting in het licht werden gegeven, te bundelen en zoodoende direct voor het publiek beschikbaar te stellen. Niet alle beschouwingen en uiteenzettingen in deze brochure zullen dus voor den lezer geheel nieuw zijn; sommige daarvan zal hij reeds eerder in pers of radio zijn tegengekomen, terwijl andere van meer historische dan actueele waarde zullen zijn geworden.
Voor een algemeen overzicht van de vraagstukken van het thans bevrijde gebied -wij schrijven April 1945- en vooral voor een inzicht in den samenhang dier vraagstukken en de maatregelen die genomen zijn om hen tot oplossing te brengen, zal deze bundel echter ook voor den trouwsten krantenlezer en den trouwsten luisteraar van eenige waarde kunnen blijken te zijn.
April 1945.
SECTIE VOORLICHTING MILITAIR GEZAG
p. 5
1. WAT BETEEKENT: "BIJZONDERE STAAT VAN BELEG"?Uit "Commentaar" van 16-12-44.
Niettegenstaande er in de pers en radio reeds enkele malen het wezen van den Bijzonderen Staat van Beleg en de functie van het Militair Gezag is behandeld, is het wellicht nuttig, ter wille van het goed begrip in deze kwestie, de thans heerschende situatie nog eens op een andere wijze uiteen te zetten, ditmaal aan de hand van de Inleiding tot het Besluit op den Bijzonderen Staat van Beleg (B.B.S.B.), waaraan het volgende is ontleend:
In normale omstandigheden pleegt de overheidstaak door verschillende, elkander in evenwicht houdende organen te worden vervuld; de organen van de wetgevende macht stellen in hoofdzaak de voor de leden der gemeenschap geldende gedragsregels vast, de organen van de Uitvoerende macht dragen zorg voor de verwezenlijking van de door de wetgevende macht gestelde doeleinden, terwijl tenslotte de organen van de rechterlijke macht waken voor de gehoorzaamheid aan de door de wetgevende macht of anderszins vastgestelde gedragsregels en zoo noodig overtredingen daartegen straffen.
In buitengewone omstandigheden kan deze verdeeling van de overheidstaak over verschillende organen tot ernstige bezwaren aanleiding geven, omdat alsdan beslissingen in telkens wisselende en niet, of moeilijk, vooruit te bepalen omstandigheden moeten worden genomen. Vandaar dat in ons staatsbestel -evenals in vele andere landen- in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of binnenlandsche onlusten e.d. de mogelijkheid bestaat om de overheidstaak geheel of gedeeltelijk in handen te stellen van één orgaan, in hetwelk functies, welke in normale omstandigheden door verschillende organen vervuld worden, zijn geconcentreerd.
Als zoo danig is naar ons staatsrecht -ook hier in overeenstemming met vele andere landen- aangewezen het MILITAIR GEZAG. Zoowel volgens de thans geldende, als volgens de vroegere regeling is de overheidstaak echter slechts gedeeltelijk in handen gelegd van het militair gezag. Door het militair gezag wordt alleen een taak vervuld met betrekking tot de uitoefening "op vereenvoudigde wijze" van wetgeving en bestuur; het militair gezag oefent echter geen rechterlijke macht uit.
In de huidige buitengewone omstandigheden gelden bovendien nog twee andere redenen om de concentratie van overheidsgezag in handen van militaire autoriteiten te leggen:
Ten eerste. Na de bevrijding van Nederland moet de wederopbouw van het land in zoo snel mogelijk tempo verloopen en moeten op korten termijn vele gedurende het tijdelijk verblijf der Regeering te Londen voorbereide maatregelen worden genomen. Zulks zal in den aanvang niet mogelijk zijn volgens de gewone, in ons staatsrecht voorgeschreven, procedure, zoodat het Militair Gezag, hetwelk het overheidsgezag op "vereenvoudigde wijze" kan uitoefenen, daarmede moet worden belast. De taak van het Militair Gezag ligt derhalve niet alleen op het eigenlijke militaire terrein (handhaving van de openbare orde), maar ook op het gebied, dat een meer "burgerlijken" inslag heeft (zuivering, bestuursvoorziening, e.d.). Ten tweede. Waar Nederland met wapengeweld moet worden bevrijd, kan zulks alleen geschieden met de militaire hulp van zijn bondgenooten. De operatiën
p.6
staan onder leiding van den geallieerden opperbevelhebber. Het zal zonder meer duidelijk zijn, dat die opperbevelhebber, bij de leiding der operatiën op geen enkele wijze mag worden gehinderd, doch dat integendeel alle beschikbare personeele en materieele middelen in het land aan de oorlogvoering dienstbaar gemaakt moeten worden. Dit is alleen mogelijk, indien de geallieerde opperbevelhebber in de gebieden, waarin wordt gestreden, of welke van rechtstreeksch belang zijn, voor de voortzetting van de krijgsverrichtingen, een grooten feitelijken invloed heeft op het bestuur en zijn wil aan de burgerbevolking zoo noodig kan opleggen.
In den huidigen oorlog hebben de geallieerden zich op het gebied van een VIJANDELIJKEN STAAT tot dit doel bediend van een militaire organisatie, genaamd "A.M.G." (Allied Military Government). "Military Government" -ook wel "Civil Affairs" of "Civil Administration" genoemd- kan worden omschreven als die machtsuitoefening door den geallieerden opperbevelhebber, welke eenerzijds ten doel heeft de onder zijn bevelen staande troepen in staat te stellen zoo doelmatig en ongehinderd mogelijk te opereeren en welke anderzijds erop gericht is om met zooveel mogelijk behoud van de gevestigde overheidsorganen de orde en rust in het betrokken gebied te herstellen en in het algemeen het leven der burgerbevolking weer in normale banen te leiden. De geallieerde officier, die onder het rechtstreeksche bevel van den geallieerden opperbevelhebber de leiding heeft van het "Military government" is geheeten de Deputy Chief Civil Affairs Officer (D.C.C.A.O.). Aan hem is toegevoegd een uitgebreide staf, berekend voor de verschillende taken (als daar zijn: juridische zaken, politie, financiën, transport, voedselvoorziening, verbindingen, enz.), welke zijn te vervullen.
Ook in het bevrijde gebied van een geallieerden staat als Nederland, bedient de geallieerde opperbevelhebber zich van een "civil affairs"-organisatie. Echter moet worden bedacht, dat de machtsuitoefening door den geallieerden opperbevelhebber in het bevrijde gebied van Nederland een anderen en milderen vorm aanneemt dan in vijandelijk gebied en in nauw overleg met de betrokken Nederlandsche autoriteiten plaats vindt. Om dat mogelijk te maken was het echter noodig, dat de geallieerde "civil affairs"-organisatie van den aanvang af vergezeld werd door een overeenkomstige Nederlandsche organisatie, waarmede op elk gebied samengewerkt kan worden, welke steeds gereed is om van advies te dienen en welke zoodanig is georganiseerd en met bevoegdheden toegerust, dat zij in staat is op elk gewenscht oogenblik de leiding zelfstandig in handen te nemen. Deze orgamsatIe wordt gevonden in den Nederlandschen Staf Militair Gezag.
De uitoefening van het Militair Gezag is geregeld bij de wet van 23 Mei 1899, Stb. 128. Deze wet wordt gewoonlijk aangeduid als de oorlogswet. Reeds gedurende den eersten Wereldoorlog bleken in deze wet ernstige leemten te bestaan. In 1916 werd dan ook een wijzigingsontwerp ingediend, doch door verschillende omstandigheden is dit nimmer wet geworden. Het Besluit op den Bijzonderen Staat van Beleg, nu, is bedoeld als een tijdelijke regeling, waarbij de mogelijkheid wordt geschapen tot uitoefening van verstrekkende bevoegdheden uitsluitend geldende gedurende het tijdvak, onmiddellijk volgende op de bevrijding van Nederland; het is dus een regelmg ad hoc en daarom zijn geen wijzegingen in de oude wet aangebracht, doch is een nieuwe besluit-wet uitgevaardigd.
Aangezien de omstandigheden, waaronder het Besluit op den Bijzonderen Staat van Beleg geldt -deels ten gevolge van de opheffing of nazificeering van organen van burgerlijk bestuur tijdens de bezetting, deels ten gevolge van de reacties, welke de bevrijding zal medebrengen- veel abnormaler zijn dan die, waarvoor de Oorlogswet is geschreven, moesten aan het "Militair Gezag zeer uitgebreide bevoegdheden worden gegeven. Zulks klemt temeer, daar de militaire operaties tot bevrijding van Nederland worden geleid door Britsche en
p.7
Amerikaansche legerautoriteiten, van wie kan worden verwacht, dat zij naar, eigen goeddunken de noodzakelijke voorzieningen treffen, indien het Militair Gezag niet over ruime bevoegdheden beschikt.
De verhouding tusschen de Nederlandsche autoriteiten en de geallieerde "civil affairs"-organisatie is geregeld in een tusschen Nederland en onderscheidenlijk het Vereenigd Koninkrijk en de Vereenigde Staten op 16 Mei 1944 gesloten overeenkomst "betreffende het burgerlijk bestuur en de rechtsmacht op Nederlandsch grondgebied, bevrijd door een geallieerde expeditiemacht".
Het Militair Gezag in het geheele gezagsgebied wordt uitgeoefend door een door H.M. de Koningin aangewezen militaire autoriteit, geheeten Chef van den Staf Militair Gezag. In deelen van het gezagsgebied treden Militaire Commissarissen op, aan wie een of meer officieren zijn toegevoegd om den Militairen Commissaris bij te staan en hem zoo noodig te vervangen. Daarnaast zijn voor bepaalde deelen van provincies (districten geheeten) en voor de belangrijkste havens en voor de groote gemeenten afzonderlijke Militaire Commissarissen benoemd. Verder kunnen krachtens het Aanwijzingsbesluit Militair Gezag Militaire Commissarissen ter vervulling van een bijzondere taak worden aangewezen, voor het geheele gezagsgebied of voor een deel daarvan.
Tijdens den staat van beleg, welke in April 1940 is afgekondigd en vóór de bezetting kon het civiele bestuursapparaat in hoofdzaak ongestoord zijn plicht doen.
Het Militair Gezag behoefde van zijn groote bevoegdheden slechts gebruik te maken, wanneer het militair belang zulks vorderde. Na de bevrijding van Nederland is hier een geheel andere toestand ingetreden. Het civiele bestuursapparaat is ontwricht en er bevonden zich onbetrouwbare elementen in. De dragers van het Militair Gezag zijn derhalve de eerste vertegenwoordigers van het Nederlandsche wettige gezag, die het land weder in een toestand van orde en rust moeten brengen. Zoodra echter het civiele gezag in handen van betrouwbare personen gesteld kan worden, en de krijgsoperaties geen onmiddellijk ingrijpen van de geallieerde autoriteiten in de burgerlijke aangelegenheden meer noodzakelijk doen zijn, treedt het Militair Gezag terug om zijn taak geheel aan de civiele instanties over te dragen.
******************* 2. ORGANISATIE EN WERKWIJZE VAN DE GEALLIEERDE EN NEDERLANDSCHE BESTUURSORGANEN.
Uit "Commentaar" van 10-1-45.
De argelooze burger is na de bevrijding plotseling tegenover een aantal nieuwe begrippen, namen en afkortingen van namen gesteld, zoodat het niet te verwonderen is, dat hij soms de kluts kwijt raakt en geen duidelijk begrip meer heeft, wat nu wat is en hoe het geheel van overheidsinstanties feitelijk in elkaar zit. Vandaar dat in de volgende regels een overzicht gegeven wordt van de organisaties, waarmede wij in bevrijd Nederland te maken hebben en hoe het een met het ander samenhangt.
SHAEF.
Zooals bekend, hebben de Britsche en Amerikaansche regeeringen het
p.8
Opperbevel over alle strijdkrachten in West-Europa opgedragen aan Generaal Eisenhower en diens Staf draagt den naam "Supreme Headquarters Allied Expeditionary Forces" (Opperbevel Geallieerde Expeditiemacht). In de wandeling wordt dit Opperbevel aangeduid met de beginletters: S.H.A.E.F.
SHAEF heeft een veelomvattende taak; niet alleen heeft het de oorlogvoering zelf geheel in handen, maar bovendien heeft het de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor alles wat daarmede samenhangt: de aanvoer voor de legers, de personeelsaangelegenheden, de inlichtingendienst en, niet in de laatste plaats, de zorg voor de gebieden, die gaandeweg door de Geallieerde legers worden bevrijd.
Voor al deze uiteenloopende deelen van zijn taak in Nederland is SHAEF vertegenwoordigd door de "SHAEF-Mission to the Netherlands", zoowel bij de Nederlandsche Regeering, als bij het Militair Gezag, van welke laatste de Engelsche benaming luidt: "Netherlands Military Administration" (NMA).
CIVIL AFFAIRS.
Voor de verzorging van de bevrijde gebieden heeft SHAEF een speciale afdeeling ingesteld, onder den naam "Civil Affairs" (CA). Zoo als de naam reeds aanduidt, bemoeit Civil Affairs zich met de zaken, die betrekking hebben tot de civiele bevoling, uiteraard alles gezien vanuit het standpunt van de oorlogvoering zelve. Vandaar ook, dat de menschen, die het werk van CA leiden, allen militairen zijn. Zooals overal in de SHAEF-organisatie, is de nationaliteit van de CA-officieren voor de helft Britsch en voor de helft Amerikaansch. Dit is dus, in hoofdtrekken, de organisatie, zooals die van de Geallieerde zijde is opgebouwd, maar zooals in het vorenstaande al eerder werd aangeduid, bestaat er een nauw contact tusschen de Geallieerde autoriteiten en de Nederlandsche overheid.
MILITAIR GEZAG
Het Militair Gezag (M.G.) is geen souvereine regeering. Eenerzijds is het verantwoordelijk voor de uitoefening zijner bevoegdheden aan de Regeering, van wie het zijn instructies ontvangt en anderzijds heeft het tot taak, zoolang Nederland nog gevechtsterrein is, de Nederlandsche belangen te vertegenwoordigen bij de bovengenoemde "SHAEF-Mission to the Netherlands" en wel in het bijzonder natuurlijk bij de afdeeling Civil Affairs (C.A.).Civil Affairs en Militair Gezag zijn dus twee organen, het eene ingesteld van Geallieerde zijde, het andere van den Nederlandschen kant, die in alle problemen, die het bevrijde gebied raken, hand in hand werken.
Het arbeidsveld van het M.G. wordt beperkt door de clausule in het Besluit Bijzondere Staat van Beleg, waaraan het zijn bevoegdheden ontleent, en hetwelk bepaalt, dat het M.G. deze bevoegdheden alleen mag uitoefenen voor zoover noodig voor de handhaving van rust en orde. Hierdoor wordt ten overvloede nog eens onderstreept, dat het Militair Gezag geen regeering is en zijn wetgevende bevoegdbeid niet kan uitoefenen om economische, politieke, sociale of andere principieele hervormingen door te voeren, hetwelk immers in een democratischen staat alleen kan worden tot stand gebracht, wanneer het volk, door middel van de volksvertegenwoordiging, zijn wil op deze punten kenbaar kan maken.
Het arbeidsveld van het M.G. blijft niettemin zeer groot; het is des te grooter, omdat door de krijgsverrichtingen, waarmede de bevrijding gepaard is gegaan, het maatschappelijk leven volkomen is ontwricht. Daarom treedt het M.G. ook in deze phase, waarin de uiteindelijke verantwoordelijkheid weliswaar bij het Opperbevel van de Geallieerde expeditiemacht (SHAEF) ligt, op sommige gebieden reeds thans zelfstandig op, teneinde de Geallieerde legerleiding zooveel
p.9
mogelijk van de bemoeienis met de burgerlijke bestuurstaak te kunnen ontlasten.
Vanzelfsprekend gaat het Militair Gezag daarbij niet naar eigen willekeur te werk. Het is belast met de uitvoering van de door de Regeering uitgevaardigde maatregelen. De Geallieerden laten dit geheel aan ons over, al hebben zij in deze phase het recht in te grijpen, indien zij meenen, dat de genomen maatregelen niet voldoende zijn voor de handhaving van orde en rust. In de practijk komt dit echter niet voor.
Is b.v. de zuivering een terrein, waarop het M.G. in de practijk volkomen zelfstandig op kan treden, op andere gebieden is het grootendeels afhankelijk van de Civil Affairs-organisatie. Een voorbeeld hiervan is de voedselvoorziening. Het spreekt vanzelf, dat wij voor dergelijke problemen voorloopig in belangrijke mate aangewezen zijn op de instructies en voorzieningen van de Geallieerden, welke laatsten echter natuurlijk ook een regehnatig advies van Nederlandschen kant behoeven. Op zulke gebieden werken Civil Affairs en M.G. als één team.
Hoe is nu de organisatie van deze beide instanties? Een ver doorgevoerde centralisatie in de uitvoering van de bestuurstaak van het M.G. is onmogelijk en ongewenscht. Niet alleen heeft elk deel van het bevrijde gebied zijn plaatselijke problemen, die alleen maar door plaatselijke maatregelen kunnen worden opgelost, maar bovendien eischt de ontwrichting van de communicatiemiddelen in het bevrijde gebied, op zich zelf al een sterke decentralisatie. Deze gedachte komt dan ook tot uiting, zoowel in de organisatie van het Nederlandsch Militair Gezag, als in de Geallieerde Civil Affairs-organisatie. Beide werken met vooruitgeschoven posten, het M.G. met zijn Militaire Commissarissen en de Geallieerden met hun zgn. Civil Affairs Detachments (C.A.Det.).
MILITAIRE COMMISSARISSEN.
Deze provinciale en plaatselijke afgevaardigden van het M.G. oefenen in hun raVon het meerendeel van de bevoegdheden uit, zooals die zijn toegekend aan den Chef Staf Militair Gezag. Zij nemen maatregelen voor de zuivering, voor de plaatselijke voedselvoorziening, voor locale transportaangelegenheden, zij kunnen roerende en onroerende goederen vorderen, plaatselijke verordeningen maken en tal van dergelijke zaken meer. Evenals tusschen den Staf van het Militair Gezag en de Civil Affairs-afdeeling van de SHAEF-Mission to the Netherlands een uiterst nauw contact bestaat, zoo is er ook voortdurende samenwerking en overleg tusschen den Militairen Commissaris en het C.A. Detachment ter plaatse.
INTERNE ORGANISATIE M.G.
Ten slotte nog een en ander over de interne organisatie van den Staf Militair Gezag. In hoofdzaak is hier hetzelfde systeem gevolgd als bij de Civil Affairs- organisatie; de Staf Militair Gezag is onderverdeeld in een aantal Secties, die min of meer met kleine departementen te vergelijken zijn en die overeenkomen met de sub-secties van Civil Affairs.Zoo is erin de eerste plaats de Sectie Binnenlandsch Bestuur, die zich naast de zuivering van de ambtelijke organen en de aanwijzing van nieuwe functionarissen, ook met de perszuivering, de bevolkingsboekhouding en de volkshuisvesting bemoeit. Voorts is er een Sectie voor Juridische Zaken, die de verordeningen opstelt, vervolging en inbewaringstelling regelt, toeziet op de kampen van bewaring en het contact met het Departement van Justitie onderhoudt. Er is een sectie Economische zaken, die zich bezig houdt met de vraagstukken van voedselvoorziening en distributie en die van handel en nijverheid in het algemeen. En ten slotte een aantal Secties, wier naam op zich zelf al voldoende aanduidt, op welk terrein zij zich begeven: Politie; Brandweer en Luchtbescherming; Financiën; Transport; Volksgezondheid; Openbare Werken; Arbeidszaken;
p.10
Voorlichting; P.T.T en Censuur; Sociaal Werk voor Oorlogsgetroffenen; Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen; Oost- en West-Indische zaken. Bovendien heeft het Militair Gezag nog enkele speciale diensten zooals het Bureau voor Evacueerings- en Repatrieeringszaken, de Dienst der Grensbewaking en het Vrouwen Hulp Korps (V.H.K.).
******************* 3. HET MILITAIR GEZAG EN ZIJN CHEF
Anep-Aneta-interview met Gen. Maj. Kruls, Chef Staf Militair Gezag, van 1 Januari 1945.
In 1939 verscheen bij de Nederlandsche Keurboekerij een boekje, getiteld: "Op de bres voor Nederland's Onafhankelijkleid". Het was geschreven door den Kapitein van den Generalen Staf, Mr. H. J. Kruls, in samenwerking met Kapitein Staring. Het beoogde bij ons volk grootere belangstelling te wekken voor de Nederlandsche weermacht en het legde vooral nadruk op de wenschelijkheid om tusschen leger en volk een nauweren band te scheppen dan tot dusver had bestaan.
Het boek kwam uit in een rood-wit-blauwe kaft met een oranje hart. Toen een tweede druk ervan tijdens de bezetting verscheen en met zijn kaft in de nationale kleuren achter de vensters der boekwinkels werd uitgestald, beschouwden de Duitschers dit als een uitdagen van de bezettings-autoriteit en het boek werd dan ook prompt verboden. Even prompt verdween het uit de étalages, maar dit beteekende niet dat de verkoop ervan werd stop gezet. Het boek dook onder. Want in bezet Nederland was dit onderduiken niet beperkt tot de levende dragers van het geestelijk verzet. Ook een geschrift kon dit verzet voeden. Zoo werd de verkoop van dit nu "ondergrondsche" boek in stilte achter de toonbank voortgezet, totdat de oplaag was uitgeput.
Intusschen was Kapitein Kruls, die in de donkere dagen van Mei 1940 als adjudant van den Minister van Defensie dezen naar Engeland had vergezeld, bij de reorganisatie van diens departement in September tot Hoofd van de Eerste Afdeeling benoemd, een uiterst verantwoordelijke functie, wanneer men bedenke, dat in deze afdeeling alle zaken waren saamgebracht, welke de organisatie van onze weermacht betreffen.
Totdat in Februari 1943 een bureau tot voorbereiding van het "Militair Gezag" werd opgericht en de nu veertigjarige Kapitein, inmiddels tot Majoor bevorderd, met de leiding hiervan werd belast. Een tijd lang nam hij nog beide functies tezamen waar, om zich later geheel te wijden aan zijn nieuwe veel omvattende taak: het opbouwen van een militair bestuurs-organisme dat straks, als het vaderland zou worden bevrijd, onder het geallieerd opperbevel en krachtens bevoegdheden, door de regeering verleend, den schakel zou dienen te vormen tusschen burgerlijke bewinds-instanties eenerzijds en de geallieerde leger-autoriteiten anderzijds.
September 1944 brak aan en met de bevrijding van, eerst nog kleine, later grootere gedeelten van ons land en daarmede het automatisch van kracht worden van den bijzonderen staat van beleg, trad het Nederlandsch Militair
p.11
Gezag in werking, onder den Chef Staf van dit Gezag, Generaal-Majoor Mr. H. J. Kruls.
Ruim drie maanden zijn sindsdien verloopen, een periode gedurende welke het Militair Gezag is uitgegroeid tot een breed vertakte organisatie, waarvan de bemoeienis zich vrijwel tot alle takken van bestuurswerkzaamheid uitstrekt. Haast geen burger in bevrijd gebied heeft er niet reeds op een of andere wijze, hetzij direct of zijdelings, mee te maken gehad. Maar van den man, die er aan het hoofd van staat, weet men nog betrekkelijk weinig af. Tot dusver kende men hem slechts in beperkten kring. Thans oefent hij bevoegdheden van den meest verstrekkenden aard uit. In het bevrijde Nederland fungeert hij immers -zij het ook binnen het kader van zekere beperkingen die hem zijn opgelegd- als tijdelijk bewindvoerder.
Wat voor iemand is deze persoon, die in dit zoo kritiek stadium van Nederland's geschiedenis de teugels in handen heeft en wiens naam op alle verordeningen prijkt, die het leven in bevrijd Nederland regelen? Ten einde op deze vraag antwoord te krijgen, verzochten wij den generaal om een onderhoud, dat grif werd verleend. Maar het was niet zoo gemakkelijk om hem over zichzelf aan het praten te krijgen. Telkens kwam het gesprek weer op Militair Gezag terug: op zijn arbeid, op de problemen waarvoor het Militair Gezag zich ziet gesteld en over de wijze, waarop men die poogt op te lossen. Zoo kregen wij ten slotte veel belangwekkends over dit Gezag te hooren. Intusschen bleef de persoon van den generaal op den achtergrond.
Niemand kan echter over een stuk levenswerk praten, over een opdracht, die hij met inzet van geheel zijne persoonlijkheid tracht uit te voeren, zonder te laten blijken, van welk hout hij gesneden is. Zoo kwam dan toch langzamerhand de figuur van den generaal zelf gedurende dit gesprek naar voren. De eerste indruk is: een bedaard Hollander, wellevend in zijn optreden, van een rustige vriendelijkheid. Iemand die naar anderen weet te luisteren, maar er zelf vast omlijnde denkbeelden op nahoudt en deze op klare wijze weet te formuleeren. Een beroepsmilitair, doch niet uitsluitend militair. Daarnaast is hij jurist - hij legde, terwijl hij als jong luitenant bij het corps luchtdoelartillerie te Utrecht gedetacheerd was, het staatsexamen af, studeerde rechten en promoveerde, terwijl hij les gaf in de school van reserve-officieren der onbereden artillerie. Een militair vakman dus, die ook belangstelling had en heeft voor andere gebieden van kennis en vooral voor de breedere vraagstukken, welke het probleem der weerbaarheid en defensie stelt. Een man van meer dan gemiddelde ontwikkeling, die nochtans zijn aandacht op het terrein van zijn speciale Wetenschap bleef concentreeren.
Zijn doel staat hem duidelijk voor oogen. Om dit doel te bereiken tracht hij soepel te werk te gaan. Hij moge met groote bevoegdheden zijn bekleed, doch van dictatoriale methodes heeft hij een grondigen afkeer en bij het uitoefenen van zijn functie luistert hij gaarne naar het advies van hen, die aan hun kennis van de toestanden tijdens de bezetting het recht ontleenen om zulk advies uit te brengen. Met dat al, iemand die zich niet gauw van zijn stuk laat brengen.
Voor Generaal-Majoor Kruls is het Militair Gezag. een levend organisme, wvaarvan hij de groeistuipen heeft meegemaakt en dat nu op eigen beenen staat. En als hij vertelt over het moeizaam en moeilijk begin en het allengs aanpassen aan de toestanden, zooals men die in bevrijd gebied aantrof, dan wordt dit een boeiend relaas van hoe een groep Nederlanders zich tijdig voorbereid heeft voor en thans uitvoering geeft aan een taak, die inzet vraagt van alle kennis, inzicht en kracht, waarover zij elk individueel en gezamenlijk beschikken.
p.12
De oprichting in Londen van het bureau "Militair Gezag" in Februari 1943 gaf blijk van een vooruitzienden blik van de zijde der Nederlandsche regeering. Andere landen -Frankrijk en België bijvoorbeeld- hebben het probleem, dat de eerste fase van de bevrijding zou stellen, op andere wijze probeeren op te lossen.
Bij ons is de situatie deze, dat het geallieerd opperbevel hoogste bestuursinstantie is in weliswaar bevrijd, maar steeds nog operationeel gebied, waar het optreden van het civiel bestuur derhalve ondergeschikt moet blijven aan het belang van de geallieerde oorlogsvoering. Men behoeft geen vergelijkingen te maken om te kunnen vaststellen dat, gezien deze verhoudingen, de vorm, die voor het uitoefenen van het tusschentijdsch bestuur in Nederland werd gekozen, een gelukkige was. Het merkwaardige hierbij is, dat die vorm eerst langzamerhand is gegroeid en zich aan de eischen van de practijk heeft aangepast. Aanvankelijk meende men namelijk dat de rol van het Nederlandsch Militair Gezag, zoolang Nederland nog tot het operationeel gebied behoort, meer een adviseerende dan een organiseerende of uitvoerende zou zijn.
Wat bleek intusschen toen men in Nederland aan het werk toog? Aan den eenen kant verwachtten de burgerlijke bestuursinstanties dat het Militair Gezag meer daadwerkelijk zou ingrijpen en zich meer actief bij de uitvoering van maatregelen zou inschakelen, aan den anderen kant waren de geallieercle legerleiding en de "Civil Affairs" autoriteiten geneigd om meer aan het Nederlandsch Militair Gezag over te laten, naarmate zij de overtuiging verkregen, dat dit op practische en doeltreffende wijze functionneerde. Van een "liaison"-orgaan tusschen (Nederlandsch) burgerlijk en (geallieerd) militair bestuur werd dus het Militair Gezag zelf meer en meer een centraal bestuurs-orgaan. Tot deze ontwikkeling heeft de opzet, zooals die twee jaar geleden in Engeland werd uitgewerkt en allengs concreet werd uitgevoerd, in aanzienlijke mate bijgedragen.
In de eerste plaats betrof deze de keuze der medewerkers. Men besloot -aldus vertelde ons Generaal Kruls- deze voornamelijk in de burgerlijke maatschappij te zoeken; bij het Militair Gezag zijn slechts weinig beroepsmilitairen werkzaam, Het voornaamste achtte men, dat de candidaten de problemen van het civiele leven goed zouden kennen. Voorts moesten het menschen zijn, die van organiseeren weten en van practisch aanpakken. Geschiktheid voor de op te dragen taak was de eenige norm die werd aangelegd.
Uiteraard was het aantal geschikte candidaten beperkt, want men moest kiezen uit het gering aantal Nederlanders van ervaring, die zich in den vreemde bevonden. De omstandigheden drongen er daarom wel toe, dat een beroep moest worden gedaan op vele persoonlijkheden, die verantwoordelijke functies bekleedden bij de in het buitenland gevestigde Nederlandsche handels- en industrieele ondernemingen.
"Naarmate evenwel in bevrijd gebied geschikte personen met de vereischte kwalificaties worden aangetroffen," vertelde de generaal verder, "trekken wij ook dezen aan." Zoo zijn reeds aan een aantal plaatselijke en gewestelijke Commissarissen van het Militair Gezag adjudanten toegevoegd, die eerst na de bevrijding zijn opgedoken en de toestanden in bezet Nederland op hun duimpje kennen. Vaak ook speelden zij een vooraanstaande rol in de ondergrondsche beweging. Het ligt in de bedoeling, dat zij allengs de huidige commissarissen zullen vervangen, welke laatsten dan weer vrij komen om in nieuw te bevrijden gebieden als ervaren pioniers op treden. Ook werden in tal van centra commissies van advies ingesteld, waarvan vele leden uit de ondergrondsche beweging zijn voortgekomen en waarmede de commissarissen en de leiders van het Militair Gezag voortdurend overleg plegen. Op deze wijze wordt steeds meer gebruik gemaakt van de speciale kennis omtrent toestanden en volk van hen, die onder de bezetting hebben geleefd.
p.13
Intusschen blijft voor de nieuwe functionarissen van het Militair Gezag een minimum aan opieiding noodzakelijk. Zij dienen een juist inzicht te verkrijgen in de gezagsverhoudingen in het bevrijd gebied en in de bevoegdheden van de geallieerde instanties; zij dienen kennis te dragen van alle Koninklijke Besluiten en verordeningen die in een pas bevrijd gedeelte van kracht worden.Zij moeten ook hun voordeel kunnen doen met de ervaringen, welke gedurende deze laatste maanden de leiders, commissarissen en verdere medewerkers van het Militair Gezag in de practijk hebben opgedaan. Deze komen daarvan vertellen op cursussen, die voor de opleiding van het personeel van het Militair Gezag op het Hoofdkwartier zijn ingesteld.
Dat op deze cursussen de problemen, die het Militair Gezag heeft op te lossen, vrij wat scherper omschreven kunnen worden dan toen men in het begin van 1943 met de opleiding van de eerste groep medewerkers begon, spreekt vanzelf. Toen tastte men nog geheel in het duister. Men kon wel verwachten van welken aard deze problemen zouden zijn, men kon wel hVpothetische gevallen opstellen, welke men vermoedde in de practijk te zullen ontmoeten, maar men kon nooit van te voren alle situaties kennen, waarvoor men zou worden geplaatst.
In werkelijkheid ontwikkelde de toestand zich ook geheel anders, dan men aanvankelijk gemeend had te mogen verwachten. Zoo heeft men al spoedig de opvatting moeten laten varen dat de periode, gedurende welke het Militair Gezag in Nederland zou functionneeren, slechts een zeer korte zou zijn; misschien niet meer dan enkele weken. Zooals de toestand nu is, ziet het er naar uit, dat het Militair Gezag nog geruimen tijd in stand moet worden gehouden. Zelfs als Nederland geheel bevrijd is moet, zoolang nog geallieerde legers in Duitschland vechten, met de mogelijkheid rekening worden gehouden, dat ons land als operatie-basis blijft dienen of in ieder geval als voorzienings-basis der geallieerde strijdkrachten. De tusschenschakel Militair Gezag kan dan nog steeds niet geheel worden gemist.
Toch heeft men groot nut getrokken uit de practische oefeningen, die in Engeland op grond van onderstelde problemen werden georganiseerd. Men ging hiertoe over nadat de kern van het personeel, dat het Militair Gezag zou vormen, op cursussen, welke men in zijn vrijen tijd moest volgen, was opgeleid en de taak, die het Militair Gezag in bevrijd Nederland zou gaan verrichten in bijzonderheden was omschreven: Toen achtte men het oogenblik aangebroken om eens te bekijken hoe het zou gaan als deze menschen, nadat zij voldoende in de theorie van de werkzaamhàden van het Militair Gezag waren ingewijd, nu plotseling in de werkelijkheid zouden worden verplaatst. Deze op de practijk gebbaseerde "manoeuvres" hadden een uiterst bevredigend verloop en trokken destijds in geallieerde kringen zeer de aandacht. Ze waren, om zoo te zeggen, een generale repetitie van het werk onder de bevrijding. Zij maakten duidelijk, dat de Hollanders de zaken grondig wenschten aan te pakken en vestigden zoodoende bij de geallieerden het vertrouwen dat aan het Nederlandsch Militair Gezag bij de uitvoering van maatregelen, door het opperbevel gewenscht geacht, meer kon worden overgelaten dan aanvankelijk was voorzien. Veel werd er van geleerd.
Aldus vond September 1944 het Militair Gezag voor zijn taak gereed. De eerste voorhoede ging begin September per vliegtuig naar België over om van daar uit Nederland in het zog der bevrijdingstroepen binnen te trekken. Spoedig volgden de verdere afdeelingen, werd het Hoofdkwartieer georganiseerd, en de machinerie van het Militair Gezag in werking gesteld. Onmiddellijk moest men aan den slag. Honderd en een zaken moesten worden geregeld; geen tijd mocht worden verloren. Menig zweetdruppeltje werd er bij gelaten. Hoofdzaak was, dat men aanpakte. De sprong was gewaagd, nu luidde het parool: zwemmen!
p.14
Reeds zetten wij uiteen, hoe aan het Nederlandsch Militair Gezag, ten gevolge van de wijze, waarop het zich voor zijn taak had voorbereid en deze begon uit te voeren, een grooter aandeel in het bestuur van de bevrijde, maar nog niet tot een normalen toestand teruggekeerde landstreken werd toebedeeld dan aanvankelijk was voorzien. Het voordeel hiervan is, dat het Militair Gezag zich veel beter kan laten gelden en meer direct toezicht kan uitoefenen op de uitvoering der maatregelen, welke het wenschelijk en noodzakelijk acht, het brengt intusschen het nadeel mee, dat de critiek, welke nu eenmaal elk bewindsoptreden uitlokt, nu ook veel meer op het Militair Gezag dan op medeverantwoordelijke instanties wordt geconcentreerd. Dat is ook onvermijdelijk en Generaal Kruls schuwt deze critiek geenszins.
"Het is een gezond verschijnsel," zegt hij, "critiek moet er wezen. Men dient echter te begrijpen, dat de situatie, die wij in bevrijd gebied aantreffen, in vele opzichten anders is dan we, rekening houdend met de verschillende mogelijkheden, redelijkerwijs hadden kunnen verwachten. Zoo is het bijvoorbeeld ondoenlijk gebleken, om een deel van een provincie onder één enkelen commissaris onder te brengen. De verbindingen zijn hiervoor te slecht. Er moet dus in iedere bevrijde stad een commissaris worden aangesteld. Dit vergt een veel grootere bezetting dan waarop gerekend was. Daarvoor moeten weer geschikte personen worden gezocht. Menschen vinden, die bij het Militair Gezag in een leidende functie kunnen optreden, is een van onze meest brandende problemen. Doch zoo lang die menschen er nog niet allen zijn, moeten we roeien met de riemen, die wij hebben. Onderwijl schept het verloop van den oorlog steeds nieuwe, onverwachte vraagstukken op elk gebied van onze activiteit."
Van de lessen, in de practijk opgedaan, was uitbreiding van het aantal commissarissen en hun personeel een eerste uitvloeisel. Een andere maatregel was het uitbreiden van de stafleiding van het Militair Gezag. Deze berust thans, onder den Chef Staf, Generaal-Majoor H.J. Kruls, bij vier sous-chefs van den staf, te weten Kolonel W.C.M. Posthumus MeVes, Kolonel Prof. Dr. J.H. de Boer, Kolonel W.O. Julius en Kolonel F.J.H. Snijders, die elk voor zich de bevoegdheid bezitten om bindende beslissingen te nemen. Dit bevordert sneller ingrijpen en soepeler beheer en maakt het voor den Chef Staf mogelijk om "er op uit te gaan" en zich door eigen aanschouwing van den toestand in de bevrijde streken op de hoogte te stellen.
Over de medewerking van de geallieerden heeft hij niets dan lof. Zij werken gelijk op met de Nederlinders en al moet hetgeen, dat tot verbetering van den toestand in Nederland noodig wordt geacht, steeds weer worden afgewogen tegenover het overwegend belang der oorlogvoering, die belangen loopen toch in groote trekken parallel.
Het karakterisiieke van den thans geschapen toestand, waarbij het Militair Gezag als een soort zetbaas van de regeering optreedt, is deze:dat men in Nederland er in geslaagd is om de tijdelijke bewindvoering naar Hollandsche opvattingen te organiseeren en de problemen, die zich hierbij voordoen, op eigen Hollandsche wijze op te lossen.
Hoe zal het daarna gaan? "Hoe sneller de algeheele bevrijdig haar beslag krijgt en hoe beter het Militair Gezag zijn taak verricht," zegt Generaal Kruls, "des te sneller zal de huidige fase kunnen plaats maken voor een volgende, waarbij de burgerlijke bewindsinstanties wederom in vollen omvang worden hersteld. Dus zal het Militair Gezag langzamerhand inschrompelen en zullen zijne bemoeienissen tot steeds engere grenzen kunnen worden teruggebracht, totdat het met de opheffing van den bizonderen Staat van Beleg voor goed van het tooneel verdwijnt."
"Als een overgangsorgaan van een overgangs-tijdperk dienen wij ons er toe te beperken de grondslagen voor te bereiden, waarop het burgerlijk bestuur
p.15
straks verder zal kunnen voortbouwen. Op zijn best blijft onze taak een onvolledige; wij zullen die zelf nimmer kunnen afmaken. Wij zullen ook nooit kunnen doen, wat wij ons voorsiellen te doen als gevolg van de beperkingen, welke de oorlogsomstandigheden ons nu eenmaal opleggen. Een element van onbevredigdheid blijft daarom ons werk aankleven, doch daarom is het niet een ondankbare taak. Er ligt," besluit generaal Kruls, "een diepe voldoening in, om thans juist in deze moeilijke omstandigheden actief er toe te kunnen medewerken om Holland weer op de been te helpen. Geen van ons had kunnen droomen, dat we op de plaats zouden zitten, die we thans innemen. Maar dat wij daartoe zijn uitgekozen en op deze wijze ons steentje kunnen bijdragen voor de herrijzing van Nederland, dat vervult ons van het Militair Gezag toch wel met een innige dankbaarheid."
******************* 4. ENKELE ASPECTEN VAN DE VOEDSELVOORZIENING
Uit "Commentaar" van 9-12-44
De wijze van voedselziening in het bevrijde gebied van Nederland, gedurende de afgeloopen maanden heeft bij menigeen het verlangen doen ontstaan, nader op de hoogte te worden gebracht met de problemen, die hieraan zijn verbonden. In de eerste plaats is voor de beoordeeling van de situatie noodig, een juist inzicht te krijgen in de richtlijnen en regels, die door het geallieerd opperbevel zijn gesteld voor de voedselvoorziening in bevrijde gebieden in het,algemeen, onverschillig of dit nu Nederland dan wel eenig ander bevriend land betreft. De legerleiding maakt daarbij onderscheid tusschen twee periodes, die men kan noemen: de "militaire periode" en de "civiele periode", waarbij de militaire periode nog eens is onderverdeeld in twee phasen.
Als eerste phase in de militaire periode, wordt dan beschouwd het tijdperk gedurende hetwelk het betreffende bevrijde gebied nog behoort tot het operatieterrein, d.w.z. het gebied ligt dicht bij of vrij dicht bij de frontlijn, is zoodoende ten nauwste betrokken bij de krijgsverrichtingen en alles wat er in een zulk een operationeel gebied gebeurt, moet geacht worden absoluut ondergeschikt te zijn aan de oorlogvoering zelve, in zooverre het hierop eenigen invloed heeft, natuurlijk. Om dit principe goed te kunnen handhaven heeft de legerleiding de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de voedselvoorziening van de burgerbevolking volstrekt in eigen hand gehouden, en wel om twee redenen. Ten eerste is het van het grootste belang voor de feitelijke krijgsverrichtingen, dat de civiele voedselvoorziening dusdanig is, dat hierdoor in de allereerste levensbehoeften van de burgerbevolking kan worden voorzien en anderzijds wil zij den aanvoer van levensmiddelen toch ook weer tot het hoogst noodige beperken omdat, juist in deze phase elke wagen voedsel méér, een wagen munitie minder beteekent. Dit moge op het eerste geiicht een ietwat hard en cVnisch standpunt lijken, een ieder, die echter van meening is, dat de oorlog met de bevrijding van Brabant, Zeeland, Limburg en een stukje van Gelderland nog niet is afgeloopen, zal bij
p.16
enige overdenking van de consequenties hiervan, dit standpunt zonder twijfel billijken.
Alvorens thans wordt overgegaan tot de beschouwing van de tweede en derde phase, zooals die boven werden aangeduid, rest nog de vraag te beantwoorden, waar de oorzaak gezocht moet worden voor het feit, dat ondanks de aanvoer van levensmiddelen de huisvrouw soms maar weinig méér in haar boodschappentasch kreeg. Deze zaak zit zoo: Wanneer het voedsel door de Geallieerden is aangevoerd dan is daarmede het proces nog niet ten einde. Om te beginnen moeten de goederen over grossiers en winkeliers worden verspreid - iets waarbij vanzelfsprekend weer het teere punt transport een groote rol speelt. Sommige producten kunnen zelfs niet eens direct naar den grossier, maar moeten eerst worden verwerkt in fabrieken (zooals koffie en een deel van het vet), zij moeten worden verpakt in hoeveelheden, die met de rantsoeneering overeenkomen en zoo meer. En tenslotte, en dit is een zeer belangrijk punt, moesten in den aanvang allereerst de voorraden bij grossier en winkelier weer op peil worden gebracht vóórdat zij voor het publiek ter beschikking konden worden gesteld. Door de schaarschte in de dagen vóórdat de aanvoer door de Geallieerden kon beginnen is er dusdanig op de voorraden ingeteerd, dat deze op vele plaatsen practisch uitgeput raakten; op andere plaatsen bleef er echter wel iets over.
Indien men nu bij die omstandigheden direct tot distributie van de aangevoerde goederen ware overgegaan, dan zou de eene grossier of winkelier te veel, de ander te weinig voor zijn klanten beschikbaar hebben, wat tot de grootste verwarring en (gerechtvaardigde) ontevredenheid zou hebben aanleiding gegeven. Het is dus noodig geweest, eerst alle voorraden weer op de juiste onderlinge verhouding te brengen en dit is dan ook de reden, dat veelal een winkelier het antwoord geven moest: "Ik heb het wel in huis, maar ik mag het U nog niet afleveren."
Tot dusverre werden de vraagstukken en de maatregelen besproken, voor de eerste phase. Rukken de legers nu echter verder op, dan komt er een oogenblik, waarop het gebied in kwestie niet meer als "operationeel" kan worden gekenmerkt, doch wel nog deel uitmaakt van het terrein, waardoor de aanvoer naar het operationeele gebied plaats vindt. In deze tweede phase zal het Geallieerde opperbevel weliswaar nog voedsel blijven leveren, voorzoover het gebied daarin niet zelfstandig kan voorzien, doch de Nederlandsche autoriteiten moeten zelf volledig zorgen voor de verspreiding en de verdeeling vanaf de punten waar het voedsel centraal wordt gedeponeerd.
Is ook deze phase voorbij dan gaat de z.g, militaire periode over in de civiele periode, of derde phase, waarin het binnenlandsch bestuur geheel voor zijn eigen behoeften moet zorgen, zoowel wat de goederen zelf betreft, alsook wat den aanvoer en de distributie aangaat. Het moet dus tegen dien tijd over voldoende voorraden beschikken en over de noodige transportruimte ter zee en binnenslands. Het is dan ook voor dit doel, dat de Regeering reeds geruimen tijd geleden begonnen is in Engeland en in de Vereenigde Staten voedselaankoopen te doen. De bestemming van de voorraden, die momenteel overzee liggen opgeslagen, is dus voor het tijdstip na hetwelk er voor de Geallieerde geen aanleiding meer bestaat om de verantwoordelijkheid daarvoor op zich te nemen.
*******************
p.17
5. DE RANTSOENEN EN WAT ER VOOR NOODIG IS
Uit "Commentaar" van 6-1-45
Wanneer er tegenwoordig over rantsoenen gesproken wordt -en wie doet dit niet?- dan gaat het vrijwel altijd over zoo of zooveel "calorieën". Ofschoon menigeen zich deze terminologie gedurende de laatste jaren wel min of meer heeft eigen gemaakt, moge bij den aanvang van dit artikel toch nog eenige aandacht worden gewijd aan de beteekenis van dit woord. Vooral voor de huisvrouw zouden "ponden vet" of "kilogrammen aardappelen" bevattelijker taal zijn, dan deze ontastbare en oneetbare "calorieën". Maar toch kan het moeilijk anders uitgedrukt worden en daarom eerst een enkel woord over de "calorieën".
Een mensch is als een locomotief; zij moeten allebei van tijd tot tijd eens bunkeren om weer vooruit te kunnen. Maar waar een locomotief alleen maar goed loopt op één speciale soort kolen, kan het menschelijk lichaam met tallooze voedingsmiddelen op gang gehouden worden. Vleesch, visch, aardappelen of brood, melk, kaas, ja zèlfs chocolade en biscuits, zij hebben allen dit gemeen, dat zij ons lichaam een zekere hoeveelheid energie toevoeren. En daar is het per slót van rekening om begonnen. Vandaar, dat men een maat wenschte voor den graad waarin de verschillende voedingsmiddelen aan deze gemeenschappelijke hoedanigheid -het verschaffen van nieuwe energie- voldoen en daartoe is aangenomen de "calorie". Evenals men dus de prijs van iets uit kan drukken in guldens, zoo kan men de voedingswaarde van een product weergeven in zoo en zooveel calorieën.
De calorie is dus een hulpmiddel om de waarde van verschillende voedingsmiddelen met elkaar te vergelijken. Het voordeel ervan komt in dezen tijd eerst goed tot zijn recht, omdat het vaak niet mogelijk is, een bepaald product ter beschikking van de bevolking te stellen en men op deze manier met een eenvoudige berekening kan vaststellen, hoeveel er noodig is van een ander voedingsmiddel om in dit ontstane tekort te voorzien. (Vandaar dus ook bijvoorbeeld de uitreiking van chocolade, eenigen tijd geleden aan volwassenen; dit was niet als versnapering bedoeld, maar het diende om bij afwezigheid van voldoende boter of vet, een ieder toch de vereischte ("calorische") voedingswaarde te verschaffen.)
Wat is er nu noodig om de burgerbevolking een rantsoen van 2000 calorieën te verschaffen? Zooals men weet, geschiedt de voedselvoorziening van het bevrijde gebied van ons land uiteindelijk onder leiding van het Geallieerde Opperbevel, omdat dit gebied zich nog in de zgn. "Operationeele phase" bevindt. Alles wat in bevrijd Nederland gebeurt, is afhankelijk van de eischen, gesteld door de krijgsverrichtingen zelve. De legerleiding mag en kan de verantwoordelijkheid daarvoor niet uit handen geven.
Dit brengt met zich mede, dat zij de taak op zich heeft genomen om voor de noodige voedselaanvoer te zorgen, voor zoover het land zelf daarin niet kan voorzien. Tegelijkertijd sluit dit in, dat bevrijd Nederland zelf in de eerste plaats de plicht heeft, zooveel voedsel te produceeren, als eenigszins mogelijk is; het ontbrekende deel zullen de Geallieerden trachten aan te voeren. Steeds dient men hier voor oogen te houden: hoe minder voedsel er van buiten af behoeft te worden aangevóerd, hoe méér wapens en munitie naar het front kunnen worden gebracht en hoe sneller de oorlog gewonnen kan worden.
p.18
Weliswaar zijn de toestanden in de bevrijde gebieden dusdanig, dat dit deel van ons land, dat in normale tijden vrijwel in eigen behoeften kon voorzien, op het oogenblik daartoe absoluut niet in staat is. Een deel van de gewassen is door inundaties vernield, een ander deel bevriest in den grond, omdat er niet geoogst kan worden wegens de landmijnen, die nog in de velden liggen of doordat sommige streken nog onder vuur liggen. Met het vee staat het er al niet beter voor: er is gebrek aan veevoedel, koeien komen droog te staan en een deel van het vee is of gaat dood. Hierbij moet direct worden opgemerkt, dat er ook nog andere problemen zijn: vooral natuurlijk het bekende transportvraagstuk.
Om nu een indruk te geven van de hoeveelheden die benoodigd zijn om de rantsoenen op peil te houden, mogen enkele globale cijfers dienen: voor een rantsoen van 2000 calorieën per dag voor normale volwassenen, plus de gebruikelijke extra toewijzingen voor kinderen, zware en zeer zware arbeid, is bijvoor- beeld voor het gebied, dat door de 2lste Legergroep-bestreken wordt (d.i. Zeeland, Noord-Bràbant, bevrijd Gelderland en een deel van Limburg) in totaal rond 92.000 ton voedsel per maand noodig (Men houde in het oog, dat de in dit artikel vermelde cijfers betrekking hebben op den toestand in Januari 1945.). Deze gebieden zijn, naar schatting, zelf in staat, ongeveer 69.000 ton op te leveren, m.a.w. 23.000 ton moeten worden ingevoerd. En dit is een hoeveelheid, die meer dan 7.000 flinke vrachtauto's vult.
Een greep uit de lijst van benoodigde producten laat zien, waar in het bijzonder onze eigen opbrengst in dit gebied tekort schiet. (De hier weergegeven getallen zijn afgrond):
Per maand benoodigd Eigen productie Benoodigde invoer Vleesch 2.900 700 2.200 ton Vet 1.780 70 1.710 ton Peulvruchten 1.700 - 1.700 ton Standaardmelk 17.000 13.000 4.000 ton Taptemelk 7.800 - 7.800 ton Producten als kaas, chocolade, koffie, zout, enz. moeten allen vrijwel geheel door de Geallieerden worden ingevoerd. Belangwekkend zijn de cijfers voor melk, zooals boven aangegeven. Zelfs wanneer alle geproduceerde melk tot Standaard-melk wordt verwerkt, (alle benoodigde taptemelk wordt dus hetzij in vloeibaren vorm, hetzij als poeder ingevoerd), dan nóg is bevrijd Nederland niet in staat, zelf de melk op te brengen, die alleen zijn kinderen noodig hebben.
Uit het bovenstaande is slechts één conclusie te trekken, n.l. dat geen moeite te veel mag worden geacht, geen offer te groot, om de gewassen te redden van vernietiging, het vee, waar noodig, te evacueeren, in zoo kort mogelijken tijd af te leveren. Af te leveren . . . aan de centrale instanties, die voor eerlijke verdeeling zorg zullen dragen.
*******************
p.19
6. HET PROBLEEM DER "ILLEGALITEIT"
G. J. van Heuven Goedhart in "Vrij Nederland" 25-11-44
Er is een beetje moed -een heel klein beetje maar- voor noodig om het vraagstuk van de illegaliteit aan de orde te stellen. Zij, die nimmer "illegaal" waren, loopen óf het probleem voorbij óf zij zwijgen erover uit bescheidenheid. Die wel "in de illegalitelt zaten" (en zitten) vinden het in meerderheid vanzelfsprekend, dat zij na de bevrijding een hartig stuk in de melk zullen hebben te brokken en slechts een kleine minderheid beseft, dat hier zooiets als een probleem ligt: en zelfs een moeilijk probleem. Ik zal er niet meer dan een paar opmerkingen over maken, in de hoop -een ijdele naar ik vrees- dat ik van links en van rechts om mijn ooren zal krijgen en een levendige discussie, met, als het kan, verheldering van ons aller inzicht, volgen zal. Om dat te bereiken wil ik het vraagstuk eerst formuleeren. Het is dit: heeft "de illegaliteit" na de bevrijding bepaalde, aan haar kranig werk ontsproten, aanspraken ten aanzien van den herbouw van ons Koninkrijk? Zoo ja, welke zijn die aanspraken en langs welke wegen moeten zij verwezenlijkt worden?
Bij een poging tot beantwoording van die vragen moet ik eerst afrekenen met een stuk romantiek. Er zijn Engelandvaarders -en ook wel niet-Engelandvaarders- die U bezweren, dat ons volk in de jaren der verdrukking geworden is tot één groote éénheid; dat gij in Nederland een nieuwen geest van saamhoorigheid met lepels als room van de melk kunt scheppen; en dat er dan ook, na den vrede, een splinternieuw Nederland prompt van stapel zal loopen. Dit alles, lieve lezer, is, met permissie, daverende nonsens, rondgekraamd door lieden, die noch schijn en wezen, noch wensch en werkelijkheid uit elkander weten te houden en die met hun zwierige betoogen veel meer kwaad dan goed doen. Versta mij nu vooral niet verkeerd: ik zeg niet, dat er in ons land "niets" veranderd is, heelemaal niet. Ik zeg voorloopig alleen, dat die hartverteederende eensgezindheid ophoudt met "de Moffen eruit, en dan. . .", en dat de oneenigheid precies daar begint waar de stippeltjes ingevuld moeten worden.
De werkelijke veranderingen, die zich in deze jaren in ons volk voltrokken hebben -en ik zeg er dadelijk bij, dat zij van zeer groote beteekenis kunnen worden- zijn er vooral twee. Aan den eenen kant is er bij velen de geboorte, bij zéér velen de versterking van wat de Brit "public spirit" noemt: een besef van staatsburgerschap, van deel hebben aan de verantwoordelijkheid voor den gang der publieke zaken. Te dien aanzien waren vooral "de intellectueelen" leelijk achterop, zoo bij ons als in heel West-Europa. Zoo ergens, dan tierde in hun kring welig dat geesteloos ideaal van een goed baantje, een mooie auto, veel reizen en je vooral niet met die verachtelijke politiek bemoeien. In bezet Nederland hebben tienduizenden dokters, advocaten, ingenieurs, leeraren, professoren, studenten, notarissen hun staatsburgerlijke Verantwoordelijkheid ontdekt. Zij zullen, indien de Regeering het zal verstaan hun belangstelling te activeeren, in allerlei verband degelijke aanwinsten voor "de politiek" opleveren.
Dat is het eene. Daarnaast is er, o nee, geen ongezonde, trouwens on-Nederlandsche eensgezindheid, maar wel: een sterk toegenomen besef van de betrekkelijkheid van alle inzichtsverschil. Vóór 1940 was er in ons land een ziekelijke neiging tot "verabsoluteering" (vergeef mij, Charivarius) van het eigene, het afzonderlijke. Als gevolg van die verabsoluteering was de Nederlandsche
p.20
samenleving behept geraakt met de kwaal van staatsvorming in den staat. Elke partij, elke groep was erop uit, haar volgers zoo vast mogelijk te omsnoeren, hen oogkleppen voor te binden en hun dan voor te preeken, dat alle waarheid, alle heil "alleen bij ons" is. Denk niet, dat dat verschijnsel tot den voltooid verleden tijd behoort. Maar sterk is toch de ervaring geworden en diep het besef, dat men met "tegenstanders", met "andersdenkenden" vaak ongeloofelijk ver opmarcheeren kan; dat men de beteekenis van de verschillen vooral niet moet overdrijven; en dat al dat geisoleer groote nadeelen heeft. Over de staketsels van de partijen en groepen heen hebben allerlei Nederlanders elkander ontmoet en, met verbazing vaak, geconstateerd, dat verschil van beginsel, geloof of doel met een verreikende samenwerking dikwijls wonderwel te vereenigen is. Dat zijn twee groote winsten: zij komen tezamen hierop neer, dat men in herrijzend Nederland meer publieken geest (inclusief offerzin) en meer samenwerking tusschen vroeger door waterdichte schotten van elkander gescheiden menschen, groepen van menschen, en partijen mag verwachten. Die geestesgesteldheid op te kweeken is van het allergrootst belang. Het is een geestesgesteldheid, die voortkwam uit een gemeenschappelijken druk en een gemeenschappelijken strijd, en haar elementen zijn: sterke kameraadschap, stellen van personen boven programma's, van karakter boven diploma's, van het verbindende boven het verdeelende. Heel realistisch, heel nuchter, zonder romantiek, zonder holle phraseologie. Achter dit alles doemt een herboren vrijheidsbegrip op, dat zedelijk is van structuur en derhalve tegelijkertijd vergunnend èn verplichtend, vrijlatend èn bindend. Ziedaar het décor, waartegen de herbouw straks begint. Er loopt geen "nieuw Nederland" van stapel. Alle geschiedenis is een doorloopend proces van verandering en niet een reeks stapelloopen. Wij moeten straks, met de hierboven aangeduide elementen als combinatietang, den stuggen draad van onze vaderlandsche ontwikkeling pogen om te buigen. Dat is het meeste wat wij kunnen doen. En het is dan ook zeer veel.
In belangrijke mate liggen deze vernieuwingselementen verankerd in "de illegaliteit". Het is een noodlottig misverstand, te meenen, dat zij er het monopolie van heeft. Te belanden in de illegaliteit is een zaak én van het karakter dat men op zijn levensweg heeft meegekregen én van de feitelijke mogelijkheden (familieverhoudingen, financieele onafhankelijkheid, aard van werkkring en capaciteiten) die men bezit. Er zijn stellig oneindig meer voortreffelijke vaderlanders buiten de illegaliteit dan erin. Maar dat doet niet af aan het feit, dat in die illegaliteit de processen van groei, van den publieken geest en van relativeering van alle afstanden en verschillen (geestelijke en stoffelijke) het meest tot besef, tot "bewustheid" zijn gekomen. Nochtans: hier moet ik een paar kerven in de huid der illegaliteit gaan maken, en wel een paar essentieele. Er is tegenover illegaliteit om der wille van verzet en vrijheid alleen ("en daarna? Nou ja, dat zullen we dan wel zien, maar de moffen moeten eruit") een illegaliteit, die achtergedachten koestert in de richting van politieke muntslagerij. Ik ken zulke illegaliteit zoowel rechts als links. Er is een oogenblik geweest, waarop een groote rechtsche illegale groep het ontstellend hoog getal van haar verliezen en arrestaties als argument voor de mate van haar toekomstigen invloed op de tafel legde. En een paar weken geleden adverteerde in bevrijd Nederland een groep: wij hebben vier jaar lang ondergronds gewerkt, sluit U nu aan bij onze partij.
In dat alles steekt niets onbehoorlijks. Het is, gelukkig ons aller goed recht om aanhangers van onze denkbeelden op te trommelen en naar invloed te streven. Maar gij ziet het verschil tusschen deze illegaliteit en die andere, die er aan het einde van den vrijheidsstrijd een streep onder zet. Tusschen die twee uitersten ligt een vrij groot, stuk illegaliteit, dat wel invloed zoekt, maar niet binnen het kader der oude verhoudingen en partijen, of zelfs geheel in niet onmiddellijk politieken zin. Sta mij dus toe, dat ik het illegale wereldje in drieën
p.21
uiteensnijd:
1) "Terug naar voor 1940", een leus, die met name op de uiterst rechtsche en uiterst linksche groepen past;
2) maatschappelijke en politieke heroriënteering: vernieuwing van partijstelsel en politieke structuur;
3) illegaliteit om het verzet en de vrijheid, derhalve wegvallend op den dag waarop de laatste Duitscher de beenen neemt.
Ik "waardeer" de drie mooten, waarin ik de illegaliteit opdeelde, niet ongelijk. Wel stel ik vast, dat de eerste moot het dichtst bij herstel van het "ancien régime" ligt, dat de derde onzen diepen dank verdient voor het gaaf-belangeloos karakter van zijn opzet, en dat de tweede de meeste aanknoopingspunten bezit voor een "nieuwen tijd", dat in die tweede de meeste "muziek zit".Wat nu met deze illegaliteit na de bevrijding te doen? Een deel ervan -de derde moot- levert geen vraagstuk op: zij begeert niet meer dan erkend te worden om wat zij deed en vervolgens haars weegs te gaan, Maar de andere, de politiek georiënteerde mooten: wat dààrmee? Er zijn Engelandvaarders, die het probleem geen probleem vinden: het is, meenen zíj, een uitgemaakte zaak, dat de illegaliteit straks de lakens uitdeelt, want "die heeft het 'm dan toch maar gelapt". Uit het voorgegane is, hoop ik, duidelijk, dat ik dit standpunt gansch en al onhoudbaar acht. Nogmaals: van alle uitnemende vaderlanders hebben de meesten met de illegaliteit niets hoegenaamd te doen gehad. Moeten zij deswege achteraan hinken en tot tweedeklasburgers verlaagd worden? Het ware een bitter onrecht dat zich even bitter zou wreken. Maar wat dan wèl? Het antwoord vraagt nog een opmerking vooraf. Deze illegaliteit, die zich na de bevrijdiug nog als zoodanig manifesteert, is anti-democratisch, staatsgevaarlijk, onduldbaar: zij moet, zoo noodig met harde hand, tot rede gebracht worden. De illegale groep, die na de bevrijding haar ondergrondsche methoden van sabotage en "directe actie" niet wil loslaten, die desgevraagd haar wapens niet wil afgeven wijl het bezit ervan door haar als "argument" in den herbouw van het Koninkrijk wordt gezien, zulk een illegale groep heeft den bodem van den rechtsstaat verlaten. Zij is een revolutionnaire groep geworden. Een bevrijd land kan alleen legaliteit dulden. Een bevrijd land behoort den illegalen werker te zien als een voortreffelijk vaderlander, die aan zijn werk rechten ontleent, maar nimmer het recht om na de bevrijding nog illegaal te blijven. Heeft derhalve na de bevrijding geen enkele illegale groep het recht zich als zoodanig te continueeren en ook niet het recht om als zoodanig invloed te eischen, alle illegale werkers daarentegen hebben -en daarbij kunnen zij zich om organisatorische redenen zeer wel van hun oude groepeeringen bedienen- aanspraak op invloed op den gang van zaken. Niet zij alleen. Dat volgt uit wat ik over de uitnemende vaderlanders buiten de illegaliteit heb gezegd. Hier zijn, komt mij voor, de gerechte aanspraken die de illegaliteit na de bevrijding mag, en moet, geldend maken.
Ten eerste: actieve medewerking aan de arrestatie en de berechting van landverraders en collaborateurs, van wie de illegale werkers zoo bittere bekers te drinken hebben gekregen. Deze actieve medewerking kan echter slechts steunen op door het overheidsgezag toegekende bevoegdheden en op door dit gezag geregelde inschakeling.
Ten tweede: georganiseerd en individueel -want er zijn ook illegale werkers die nimmer "in een organisatie zaten"- adviseeren ten aanzien van de bezetting van ambten, den terugkeer van oude functionarissen, en de houding, door die gezagsdragers tijdens de bezetting ingenomen. Dat daarbij niet elke groep en iedere adviseur voor het volle pond zijn zin kan krijgen volgt uit de veelheid van zinnen die, vooral in Nederland, bij de veelheid van hoofden past. Het is heelemaal niet erg. Wie niet "in de minderheid" kan zijn en in dat geval ruzie maakt of wegloopt, moet de kleuterklas van de democratie nog eens overdoen.
Ten derde: vertegenwoordiging in alle wetgevende lichamen. Pas wel op: niet de illegale groep als zoodanig. Geen enkele illegale groep kan ooit als
p.22
zoodanig vertegenwoordigd zijn, want haar doel: het verrichten van illegaal werk, is in een bevrijden staat zinneloos. Maat wel is het het recht der illegale werkers invloed te hebben op de samenstelling der vertegenwoordigende lichamen. In hun midden -en hier denk ik vooral aan de tweede moot- leven denkbeelden, die menigmaal buiten de van ouds bekende partijprogramma's liggen en het ware ondemocratisch die denkbeelden niet van meet af aan een kans te geven.
Ten vierde: verantwoordelijke posten bekleeden in den staat en zijn organen. Alweer: pas op. Ik denk er niet aan, te stellen, dat iedere illegale werker na de bevrijding gezagsdrager worden moet. Dat is sentimenteele nonsens. Maar in herrijzend Nederland zullen wij de wijsheid moeten toepassen, die een Friesche predikant mij eens per brief aan de hand deed: "'t Komt op de mennekes aan". Zoo is het. Geen partij en geen kerk, geen vereeniging en geen regeering kan iets van belang tot stand brengen, indien er niet een of meer menschen van hard karakter, van vasten wil, met sterke handen en onwrikbare doeleinden achter staan. In het oude Nederland was de bezetting van hooge posten maar al te vaak een zaak van nepotisme, ancienniteit, kliekgeest en zelfs een nauw verholen erfelijkheid. In het nieuwe zal het aankomen op "de mennekes". Welnu: in de gelederen der illegaliteit zijn "mennekes" die, al tellen ze nog geen dertig, getoond hebben heel wat meer situatiebegrip en vaderlandsch verantwoordelijkheidsgevoel te bezitten dan menige hoogwaardigheidsbekleeder, die in den loop der gezapige jaren bij gebrek aan gewicht omhoog is gevallen. Geef ze hun kans. Ruim baan voor de jeugd.
Ik laat het hierbij. Moge ons vaderland bij machte blijken, te leeren én uit het verleden én uit het Belgisch-Fransche heden. Dan zal het begrijpen, dat "de illegaliteit" noch een "heilige" en onaanraakbare, noch een romantisch-eensgezigde groepenbundel is; dat zij om haar onschatbare verdiensten diep ingeschakeld behoort te worden in afrekening, voorlichting, vertegenwoordiging en Verantwoordelijkheid; maar dat alles wat zij na de bevrijding doet en wil doen gemeten moet worden met den democratischen maatstaf van den rechtsstaat, waarin nu eenmaal geen plaats is voor een illegaliteit, die niet blijkt te begrijpen dat zij vóór alles, in alles, bóven alles . . . legaal moet zijn.
******************* 7. DE BERECHTING VAN LANDVERRADERS, OORLOGSMISDADIGERS EN COLLABORATEURS
Uit den Anep-Aneta-dienst van 13-12-44
Wat wordt er gedaan ten aanzien van de landverraders, de N.S.B.ers, de collaborateurs, of onder welken naam men ook de personen rangschikken wil, die 4,5|jaar lang met den vijand hebben geheuld en de Nederlandsche zaak hebben benadeeld?" Dit is een vraag, die dezer dagen door vrijwel iedereen in bevrijd Nederland wordt gesteld en waarop het hiernavolgende een antwoord geven wil.
Van den aanvang af moet men bij deze kwestie onderscheid maken tusschen twee categorieën van Personen:
1) Zij, die naar het huidige rechtsgevoel, bepaalde concrete misdrijven tegen het landsbelang hebben gepleegd, en
p.23
2) Zij, aan wie niet zoozeer een bepaald feit ten laste kan worden gelegd, maar die niettemin op grond van hun handelen of nalaten geacht moeten worden zich bewust te hebben gedragen in strijd met de belangen van het Nederlandsche Volk ofwel bewust afbreuk hebben gedaan aan het verzet tegen den vijand en diens handlangers. Men voelt, dat het hier twee verschillende soorten van gevallen betreft en dat, dientengevolge voor beide categorieën ook verschillende maatregelen noodig geworden zijn.
Op grond van het feit, dat het bestaande Nederlandsche Strafrecht niet toereikend kan worden geacht voor een snelle en afdoende berechting van de door landverraders en oorlogsmisdadigers gepleegde misdrijven -het gaat hier dus om de eerste categorie van personen- zijn door de Regeering een aantal nieuwe maatregelen getroffen. Het bestaande Nederlandsche Strafrecht dateerde immers uit een tijd, waarin de wetgever de feiten, die tijdens de bezettingsjaren zijn gepleegd, niet of niet in voldoende mate kon voorzien. Verandering was hier dus dringend noodig, omdat anders een aantal dezer misdrijven niet zouden kunnen worden berecht.
Om hierin te voorzien, zijn bij het Koninklijk Besluit op het Buitengewoon Strafrecht een aantal nieuwe feiten als misdrijf strafbaar gesteld. Ten eerste zijn in dat besluit eenige misdrijven omschreven, die in het bestaande Strafrecht niet voorkomen. Zoo is strafbaar gesteld, een ieder, die een ander opzettelijk heeft blootgesteld aan opsporing, vervolging en vrijheidsberooving of aan eenige, door of namens den vijand of diens helper toegepaste straf of maatregel. Strafbaar is ook hij, die gedurende den oorlog opzettelijk gebruik hgeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel, hem door den vijand (of het feit der vijandelijke bezetting) geboden om een ander in zijn vermogen wederrechtelijk te benadeelen.
Deze bepalingen van het Koninklijk Besluit op het Buitengewoon Strafrecht zijn van toepassing, niet alleen op misdrijven, begaan tijdens den huidigen oorlog, maar ook op die, begaan in den tijd, dat deze oorlog dreigende was. Op deze wijze is de waarborg verkregen, dat zij, die zich aan bovengenoemde misdrijven hebben schuldig gemaakt, hun gerechte straf niet kunnen ontloopen, door zich erop te beroepen dat de door hen gepleegde daden op dat oogenblik niet strafbaar waren.
Het Koninklijk Besluit maakt het tevens mogelijk, misdrijven te berechten, die buiten Nederland zijn begaan, hetzij door Nederlanders, hetzij door anderen, die zich vergrepen hebben aan Nederlandsehe personen of belangen. Hieruit volgt, dat dus ook Duitsche oorlogsmisdadigers voor den Nederlandschen rechter kunnen worden gebracht, waar zij hun, tegen Nederlanders gerichte daden ook gepleegd mogen hebben.
De tweede belangrijke voorziening van het Koninklijk Besluit ligt in de verzwaring van de straffen op misdrijven, die reeds in de bestaande strafwet voorkomen. Met name kan nu in alle gevallen, waarin op een misdrijf gevangenisstraf van 15 jaar of meer was gesteld, de doodstraf, levenslange of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 20 jaren worden opgelegd. De strafbepalingen voor minder ernstige misdrijven zijn in dezelfde verhouding aanzienlijk verzwaard.
Tenslotte zijn sommige bepalingen van het bestaande strafrecht nader gepreciseerd. Een van de belangrijkste dezer aanvullingen geldt art. 102 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij is bepaald, dat opzettelijke hulpverleening aan den vijand in tijd van oorlog, gestraft wordt met gevangenisstraf van ten hoogste 15 jaren. Het Wetboek van Strafrecht geeft evenwel niet aan, wat onder hulpverleening aan den vijand moet worden verstaan. Bij het K.B. op het Buitengewoon Strafrecht is thans vastgelegd, dat onder "hulpverleening aan den vijand" mede moet worden begrepen:
a) het bevorderen of verspreiden van vijandelijke propaganda,
p.24
b) het aan den vijand ter beschikking stellen van eenig geld of goed,
c) het verrichten van eenige daad ten voordeele van den vijand,
d) het beletten, belemmeren of verijdelen van tegen den vijand gerichte maatregelen.
Al deze misdaden kunnen dus, gezien de bovengenoemde verzwaring der bestaande strafbepalingen, met de doodstraf, met levenslange gevangenisstraf of met gevangenisstraf van ten hoogste 20 jaar worden gestraft.
Teneinde de normale rechtspraak niet te overbelasten, wordt de berechting van de bovengenoemde misdrijven opgedragen aan speciale rechtscolleges. Hiervoor worden krachtens het Koninklijk Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven een aantal nieuwe Gerechtshoven ingesteld, welke, met uitsluiting van eenig ander gerecht, bevoegd zullen zijn, landverraderlijke- en oorlogsmisdrijven in behandeling te nemen. In deze bijzondere gerechtshoven, die uiteraard slechts tijdelijk zullen zijn, wordt recht gesproken door 5 rechters, nl. 3 burger-juristen en 2 militaire raadsheeren. De vonnissen van de bijzondere gerechtshoven zijn niet vatbaar voor hooger beroep; wel is, om eenheid der rechtspraak te verzekeren, een vorm van cassatie mogelijk gemaakt. Daarvoor wordt een Bijzondere Raad van Cassatie opgericht.
De in den aanhef van dit artikel onder 2 genoemde personen, zij dus, wien niet een concreet feit ten laste gelegd kan worden; doch niettemin door hun handelen of nalaten de Nederlandsche belangen hebben geschaad, moeten op een andere wijze worden aangepakt. Teneinde deze lieden aan bepaalde maatregelen te kunnen onderwerpen, is het z.g. Tribunaalbesluit uitgevaardigd, een Koninklijk Besluit, waarbij in ieder arrondissement een Tribunaal kan worden ingesteld, uit zoovele kamers bestaande als door de Kroon wordt vastgesteld. Elke kamer is samengesteld uit een Voorzitter en twee leden, bijgestaan door een Secretaris. Slechts de voorzitter behoeft een rechtsgeleerde te zijn; leden en secretaris moeten zooveel mogelijk uit verschillende deelen der bevolking worden gekozen.
Door deze tribunalen kunnen nu, hetzij één, hetzij een combinatie van de volgende maatregelen worden opgelegd:
a) interneering,
b) ontzetting uit bepaalde rechten,
c) verbeurdverklaring van het vermogen.
Bij de interneering staat de strekking tot heropvoeding en opleiding der geïnterneerden tot nuttige leden van het Nederlandsche volk op den voorgrond. Vandaar dus ook, dat deze maatregel zich steeds over een lange periode zal moeten uitstrekken, welke echter, afhankelijk van de omstandigheden, den ernst van het geval en het gedrag van den geïnterneerde kan worden verkort.
Met bovenstaande twee groepen van maatregelen zijn de middelen geschapen om het onrecht, gedurende de bezettingsjaren ten aanzien van het Nederlandsche volk gepleegd, afdoende en tevens op rechtvaardige wijze te bestraffen.
*******************
p.25
8. DE TAAK DER TRIBUNALEN
Uit een rede gehouden door Mr. Ir. G. J. van Heuven Goedhart bij de installatie van het Tribunaal te 's Hertogenbosch op 20-1-45.
Ik begin dan met eraan te herinneren, dat er niet minder dan vijf regelingen zijn, die zich met de landverraders en de knoeiers, voorzooveel hun persoonlijke behandeling aangaat, bezig houden. Van die vijf behooren er vier bij elkaar; het vijfde, het Tribunaalbesluit, staat min of meer apart . . . Eerst dan een paar opmerkingen over de vier samenhangende: het Besluit buitengewoon Strafrecht, het Besluit Bijzondere Gerechtshoven, het Besluit Buitengewone Rechtspleging en het Bijzondere Gratie-Adviesbesluit. Het is mij niet onbekend gebleven, dat bepaalde elementen in deze Besluiten hier en daar een zekere ongerustheid teweeg hebben gebracht. Dat geldt met name van het opzij zetten van het aloude, in artikel I van het Wetboek van Strafrecht neergelegde rechtsbeginsel: "Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling". Gij herinnert U stellig even scherp als ikzelf, welk een heftige verontwaardiging hier te lande opstak, toen na den Duitschen Rijksdagbrand brandstichting onder bepaalde omstandigheden werd strafbaar gesteld met den dood en aldus de weg werd geopend om den zoogenaamden dader, Van der Lubbe, alsnog om te brengen. En heeft nu de Nederlandsche Regeering niet veel ergere dingen gedaan? Heeft zij niet zoomaar in het algemeen dien belangrijken rechtswaarborg, dat de strafbepaling aan het plegen van het feit vooraf moet gaan, van haar tafel geschoven?
Het lijkt veel gevaarlijker dan het is, dames en heeren. Wanneer gij van het Besluit Buitengewoon Strafrecht kennis neemt, dan ziet gij, dat er geen sprake is, dat allerlei misdragingen, die vroeger niet strafbaar waren, nu ineens met vier en een half jaar terugwerkende kracht strafbaar zijn gesteld. Als dat zoo ware, zouden critiek en ongerustheid gegrond zijn . . . en ik zou tot de ongerusten behooren. Maar zoo is het dan ook geenszins. Op twee uitzonderingen na, waarover zoo meteen nog een enkel woord, is er niet één strafbaar feit geschapen. Op twee uitzonderingen na was alles, wat strafbaar is volgens het Besluit Buitengewoon Strafrecht, reeds strafbaar sinds 1887, toen het Wetboek van Strafrecht werd ingevoerd. Dat valt dus nogal mee! Maar heeft de Regeering dan dat oude beginsel opzij gezet, alleen maar om die twee nader te noemen feiten met terugwerkende kracht strafbaar te kunnen stellen? Neen, zoo is het niet. Tot de "strafbepaling" behooren twee elementen: de omschrijving van het strafbare feit, en de bedreiging van een bepaalde straf. Welnu: aan de omschrijvingen van de strafbare feiten heeft de Regeering niets getornd. Maar zij heeft, lettend op de bijzondere strafwaardigheid van wat N.S.B.ers en onvaderlandsche knoeiers deden toen ons land in doodelijk gevaar verkeerde, de bij die strafbare feiten behoorende straffen verzwaard; en, waar ook de "strafmaat" deel uitmaakt van de "strafbepaling" zat er niets anders op dan voor de werking van het Besluit Buitengewoon Strafrecht het beginsel van artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht uit te schakelen. Die uitschakeling heeft dus allerminst de beteekenis van de invoering-in-veelvoud van een soort "lex van der Lubbe"! (NVZ: lex 'wet'; i.p.v. Rinus of Marinus)
Indien gij er behagen in schept, dien term te hanteeren, is zij slechts toepasselijk op de twee nieuwe misdrijven, omschreven in de artikelen 26 en 27 van het Besluit. Dààr hebt ge nu inderdaad n i e u w e strafbare feiten: het eene is het opzettelijk blootstellen van een landgenoot aan opsporing,
p.26
vervolging, vrijheidsberooving, vrijheidlsbeperking of aan een of anderen maatregel, getroffen door den vijand of zijn handlangers. Het andere is het opzettelijk gebruik maken van macht, gelegenheid of middel, door den vijand of door het feit van de bezetting geboden, om een ander in zijn vermogen te benadeelen of om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen. Ik ben er zeker van, dat er in Nederland een storm van verontwaardiging zou zijn opgestoken, indien al het laaghartig geknoei van landgenooten, die in de afgeloopen jaren opzettelijk hun medemenschen aan den vijand uitleverden en de discrimineerende maatregelen van dien vijand aangrepen om zich te verrijken, straffeloos zouden zijn gebleven. Hoe dikwijls trouwens heeft de Regeering deze knoeiers gewaarschuwd, ook al wilde zij om redenen van veiligheid haar strafrechtelijke voornemens nog niet openbaar maken! Neen, er is met de uitschakeling van het beginsel van artikel I van het Wetboek van Strafrecht niets roekeloos of revolutionnairs geschied. De Regeering waardeert dat beginsel ten volle. Haar vier Strafbesluiten liggen naast het normale, onaangetast gebleven, strafrecht, en zij heb- ben een tijdelijke werking.
Ik zal over de drie andere, die bij het Besluit Buitengewoon Strafrecht behooren, niet uitvoerig zijn. Elk misdrijf, dat onder het Buitengewoon Strafrecht valt, zal worden berecht door een Bijzonder Gerechtshof, waarin naast burgerlijke ook militaire raadsheeren zitting krijgen, zoowel van de Landmacht als van de Marine. Hier raak ik een tweede beginsel van de geheele regeling: de Regeering heeft gemeend, in beginsel de daders van de misdrijven, vallende onder het Besluit Buitengewoon Strafrecht, volgens de Militaire Strafwet te moeten berechten. Terloops wijs ik erop, dat berechting van burgers door den militairen rechter niets bijzonders is. De Invoeringswet van het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalt, dat de militaire rechter bevoegd is kennis te nemen van feiten, door wien ook begaan, gepleegd in gebied dat in staat van beleg verkeert en behoorende tot de titel I en II van het IIe Boek van het Wetboek van Strafrecht of tot het Militair Strafrecht: Dat wil zeggen, dat het misdrijf van landverraad, door bijvoorbeeld Mussert tussen 10 en 15 Mei 1940 gepleegd, door den militairen rechter kan worden behandeld, ofschoon Mussert het tegendeel van een militair is. Drie dingen heeft de Regeering nu gedaan:
l. zij heeft de bevoegdheid van dien militairen rechter uitgebreid over de geheele periode der Duitsche bezetting,
2. zij heeft nog een aantal, met name in het Besluit Buitengewoon Strafrecht opgesomde misdrijven aan dien militairen rechter toevertrouwd, en
3. zij heeft dien militairen rechter omgezet in een burgerlijk-militairen: de Bijzondere Hoven vonnissen met vijf leden, waarvan de president en twee raadsheeren burgers zijn, de twee andere militairen, zooveel mogelijk een uit de landmaeht en een uit de marine, en zooveel mogelijk met een juridische opleiding.
Door zulk een Gerechtshof -het ligt in de bedoeling er vijf in te stellen, een in elke stad waar een Gerechtshof is gevestigd, zoodat ook in Den Bosch een Bijzonder Hof zal zetelen- door zulk een Hof kan de doodstraf slechts met eenparigheid van stemmen worden uitgesproken. Leest gij daarnaast het Besluit Bijzondere Rechtspleging, dan moet het U treffen, met hoe groote zorg en nauwgezetheid de Regeering voor een ook ten aanzien van den verdachte door en door behoorlijke procesgang heeft gewaakt. Neemt men de vier besluiten als geheel, dan mag met nadruk gezegd worden, dat zij een snelle en gestrenge berechting waarborgen; dat hij het beginsel van de toepasselijkheid van het militaire strafrecht, op bepaalde misdragingen van burgers aanvaarden; dat zij den grondslag van artikel I van het Wetboek van Strafrecht met groote
p.27
bedachtzaamheid en dan ook zonder eenig onaanvaardbaar gevolg uitschakelen; en dat zij een tijdelijken rechtsgang construeeren, die in de beschaafde wereld stellig een gunstig oordeel zal ontmoeten. Ook de critiek op het ontbreken van hoger beroep houdt geen steek. Ik moge eraan herinneren, dat de misdrijven van Titel I en II van het Tweede Boek van het Wetboek van strafrecht, gepleegd door een burger in gebied dat in staat van beleg verkeert, al welhaast 25 jaar door den Krijgsraad kunnen worden berecht, zonder hooger beroep, zelfs zonder cassatie. De Regeering heeft in het Besluit Bijzondere Rechtspleging geen hooger beroep, wel cassatie voorzien, en daartoe een Bijzonderen Raad van Cassatie ingesteld. Ook hier geeft de regeling bewijs van een bijzonder karakter, liggende tusschen het zuiver burgerlijke en het zuiver militaire in.
Ik heb hiermede lang genoeg uitgeweid over het viertal Besluiten dat naast het Tribunaalbesluit de behandeling van onvaderlandsche elementen regelen en ik erken, dat ik "misbruik van gelegenheid" heb gemaakt. Anderzijds bestaat er evenwel tusschen die Besluiten en het Tribunaalbesluit een tamelijk nauw verband. Laat ik nu enkele opmerkingen maken over dat Tribunaalbesluit, waarmede gij, mijne heeren, op het punt staat te gaan werken.
Ik begin dan met een vraag aan de critici. Zij voeren de Regeering tegemoet, dat deze zoomaar "de leekenrechtspraak" ingevoerd heeft en dat daarmee het hek van den dam gaat. Nog afgezien van het feit -ik kom daarop aanstonds terug- dat het Tribunaal geen rechtbank is en dat gij, mijne heeren, geen rechters in den zin van de Nederlandsche wet zijt, stel ik den critici deze, misschien wat ondeugende, vraag: Wat zoudt gij hebben gedaan? Strafrechtspraak in den gezonden Nederlandschen zin onderstelt een uiterst nauwkeurig omschreven strafbaar feit. Elk element van die omschrijving moet met een of meer der wettige bewijsmiddelen worden bewezen. Nu zijn er tienduizend of meer onvaderlandsche gedragingen, die naar het oordeel van het publiek en Regeering geenszins zonder onaangename gevolgen behooren te blijven. Wilt gij nu, dat de wet al die gedragingen, ontleed in elementen, gaat omschrijven en voor elke daarvan een afzonderlijke strafmaat bepaalt? Dat zeg ik U! Dat vereischt, dat gij precies aanduidt, dat verkoop van Volk en Vaderland dan en dan, daar en daar in een mate van zoo en zooveel gestraft wordt met enz.; dat het op een bepaalde manier en door nauwkeurig omschreven daden bevorderen van de zaak van Mussert strafbaar is met . . . Kortom: dat eischt een eindelooze, ja een onmogelijke omschrijving van alle denkbare vormen van steun aan den vijand, profiteeren van den vijand, propagandeeren van het nationaal-socialisme ondermijnen van de vaderlandsche zaak.
Wat is het alternatief? Het alternatief is, dat men al deze volksvijanden, al deze hulpverleeners, al deze handlangers van Hitler en Mussert vrijuit laat gaan, tenzij zij gebracht kunnen worden onder de preciese omschrijvingen, waarnaar het Besluit Bijzonder Strafrecht verwijst. Niemand kan dat willen. Integendeel: ieder die met ons vaderland het goede voor heeft, stelt den eisch, dat alle, ook de niet onder dat Besluit vallende, volksvijanden loon naar werken zullen ontvangen. En om aan dien gerechten eisch van openbare gezondheid te voldoen, is er dan nu een Tribunaalbesluit. Dit Besluit is geen strafrecht, maar administratief recht. Het is een tuchtrechtelijke aanvulling van het buitengewoon strafrecht. Velen zullen voor beiden, voor een Bijzonder Hof en voor een Tribunaal moeten verschijnen. Het bijzonder aantrekkelijke van de Tribunalen is, dat zij acht hebben te slaan op de houding van den mensch in totaal. Zij hebben zich niet alleen af te vragen: valt deze man onder de bepalingen van artikel I van het Tribunaalbesluit, maar ook: in welke mate valt hij eronder.
Wat kunnen wij van zijn toekomstige houding verwachten; staan er gunstige feiten tegenover de ongunstige? Gij ziet, dat hier aan het Tribunaal een groote mate van oordeelsvrijheid is gelaten en ik behoef nauwelijks te zeggen, dat
p.28
reeds daarom bijzondere waarde gehecht moet worden aan de keuze der personen. Het Tribunaalbesluit verlangt dan ook, dat de Commissaris der Koningin terzake van de voordrachten advies uitbrengt en dat hij daarbij kantonrechters in het ressort van het Tribunaal raadpleegt. Wanneer ik zie, hoe hier in den Bosch dat stelsel, voor het eerst, gewerkt heeft, dan verklaar ik mij gaarne alleszins tevreden en gerust. Zij die gevreesd hebben, dat de Regeering "volksrechtbanken" in den trant van die der Fransche Revolutie zou oprichten, vergissen zich volkomen.
Van U, Mijne Heeren, wordt gevraagd, dat gij, aan de hand van de minutieus voorgeschreven procesgang van het Tribunaalbesluit, de houding zult beoordeelen van hen, die voor Uw kamer zullen verschijnen en dat gij daarbij zoowel de eischen der rechtvaardigheid als die der gestrengheid zult laten gelden. Er is hier sprake van een vertrouwensopdracht. Weest ervan verzekerd, dat Uw werk in het hart van veler belangstelling zal staan en sluit niet uit, dat het komt te stuiten op openlijke critiek, die, gelukkig, althans in dit deel van ons vaderland weer welkom is. Gij zult het zeker niet iedereen naar den zin kunnen maken en dat is trouwens in geenen deele Uw taak. Zoolang gij binnen de bepalingen van het Tribunaalbesluit, binnen de grenzen van Uw geweten, en binnen het kader van de vaderlandsche belangen blijft, kunt gij alle critiek in gemoede afwachten.
De maatregelen, die gij bevoegd zijt op te leggen, strekken vèr. Op dit oogenblik is het nog niet mogelijk, een definitieve regeling te treffen voor de tienjarige interneering, welker oplegging tot Uw bevoegdheden behoort. Een voorloopige regeling is echter getroffen. Zooals gij weet, zal in elk arondissement een Tribunaal met een nader te bepalen aantal kamers worden opgericht. Dat aantal zal niet zoo heel klein kunnen zijn, want het is in 's lands belang, dat de Tribunalen een korten levensduur hebben. De operatie, die ons moet afhelpen van de ongezonde elementen in ons volk, mag niet lang duren en het is daarom, dat ik van deze plaats nogeens het vertrouwen uitspreek, dat vooral uit de gelederen van hen, die in de bezettingsjaren actief aan het verzet tegen den vijand hebben deelgenomen, velen bereid zullen worden gevonden om aan den Tribunaal-arbeid deel te nemen. Daarbij komt nog, dat ook over verzoeken tot vrijlating van gearresteerden op grond van overwegingen van veiligheid, orde en rust de Tribunalen te oordeelen zullen hebben, een taak, die naar ik veronderstel behalve verantwoordelijk, ook tijdroovend zal zijn.
Ik zou tenslotte nog een enkele opmerking willen maken over het zoogenaamde "fiat executie". Zij die vreezen voor "willekeur" doen niet slechts onrecht aan Uw ernst en bekwaamheden, doch mede aan het Tribunaalbesluit zelf, dat ter bevordering van een zekere eenheid van beoordeeling voorschrijft, dat elke Tribunaaluitspraak eerst uitvoerbaar wordt, nadat zij door een lid van den Raad van State voor gezien is geteekend. Men kan van meening verschillen over de vraag, of die Raad daarvoor het meest geëigende lichaam is en wellicht is daarover het laatste woord nog niet gezegd. Voorshands, bij de helaas nog maar gedeeltelijke bevrijding van ons vaderland, hebben wij den Raad van State niet beschikbaar en daarom is voor het nu bevrijde gebied een bijzondere regeling getroffen. Als autoriteit, die voor de Tribunaaluitspraken in nu bevrijd Nederland het "fiat executie" verleenen zal, is door Hare Majesteit de Koningin aangewezen de President van het Bossche Gerechtshof.
*******************
p.29
9. HET ZUIVERINGSBESLUIT
Uit "Commentaar" nr. 17 d.d. 8 Maart 1945.
Veel is sedert de bevrijding van Zuid-Nederland over de zuivering gesproken, doch veel misverstand heerscht nog omtrent de strekking der zuiveringsmaatregelen. Met het oog hierop zal getracht worden een indruk te geven van de verschillende regelingen op dit gebied en de wijze, waarop zij in de practijk werken.
De zuivering wordt beheerscht door verschillende Koninklijke Besluiten. Die der ambtenaren wordt geregeld in het z.g, Zuiveringsbesluit (K.8. d.d. 13-1-1944, Stbl. E l4). Voor de zuivering van journalisten en uitgevers van bladen vindt men bepalingen in het Tijdelijk Persbesluit. Het Besluit Buitengewone Arbeidsverhoudingen houdt zich bezig met de zuivering van arbeiders uit particuliere bedrijven. Het Besluit Herstel Rechtsverkeer opent zekere mogelijkheden tot het nemen van zuiveringsmaatregelen tegen ondernemers.
Hier volgt thans een beknopt overzicht van het systeem der z.g, ambtenarenzuivering. Dit systeem berust hierop, dat iedere ambtenaar op wien verdenking rust, dat hij gedurende de bezetting ernstige fouten uit vaderlandsch oogpunt heeft begaan, pa ingewonnen advies voorloopig buiten dienst kan worden gesteld (gestaakt of geschorst), waarna een nader onderzoek naar zijn gedragingen moet volgen. De autoriteiten, bevoegd tot dit "voorloopig buiten dienst stellen" behoeven, wanneer zij een zuiveringsmaatregel noodzakelijk achten, er niet volledig van verzekerd te zijn, dat de critiek op of de verdenking van den betrokken ambtenaar beslist gegrond is. Vooral in den eersten tijd na de bevrijding moet immers met de zuivering spoed worden betracht: men mag niet het risico loopen, dat men doorwerkt met ontrouwe functionarissen. Zoodra dus het vertrouwen in een ambtenaar werkelijk ernstig geschokt is, moet hij als voorzorgsmaatregel uit het ambtelijk verband worden geëlimineerd'
Wel moeten genoemde autoriteiten, alvorens tot zuivering over te gaan, het advies inwinnen van personen, die in staat kunnen worden geacht, het beleid van den betrokkene te beoordeelen. Voor het uitbrengen van zulke adviezen moeten in het algemeen adviescommissies worden ingesteld; dit wordt weliswaar door het Zuiveringsbesluit niet met zooveel woorden voorgeschreven, doch een goede gang van zaken kan alleen verzekerd zijn, wanneer zoodanige, oordeelkundig samengestelde adviescommissie worden ingeschakeld. Blijkt nu op grond van bedoelde adviezen, dat tegen een ambtenaar bepaalde aanwijzingen of ernstige verwijten bestaan, op grond waarvan zijn voorloopige uitschakeling gewenscht lijkt, dan hebben de tot zuiveren bevoegde instanties de keus uit twee maatregelen van voorloopigen aard: uitvaardigen van een bevel tot "staking in de uitoefening van de functie" of van een bevel tot "schorsing" (daarnaast bestaat de mogelijkheid tot het verleenen van ontslag, waartoe alleen de betrokken Minister bevoegd is). Een bevel tot staking wordt verleend in twijfelachtige gevallen en is dikwijls slechts een voorzorgsmaatregel; staking is in wezen dan ook geenszins oneervol en de "gestaakte" ambtenaar blijft in het volledige genot van alle inkomsten en voordeelen, aan de uitoefening der functie verbonden.
Kan echter redelijkerwijs worden aangenomen, dat een ambtenaar zich ontrouw heeft betoond aan de Kroon, de zaak van het Rijk of de Regeering of dat van hem, zooals het Zuiveringsbesluit het noemt, "op grond van zijn houding voor of tijdens de bezetting niet de getrouwe medewerking aan het herstel van
p.30
het Vaderland kan worden verwacht", dan moet hij, in afwachting van de beslissing omtrent zijn ontslag, in zijn bediening worden geschorst. Hij verliest daarbij het genot van zijn inkomsten en andere aan de functie verbonden voordeelen, b.v. het recht tot verblijven in de ambtswoning. Evenwel kan hem of zijn gezin een voorloopige uitkeering voor levensonderhoud worden toegekend.
Bekleedt een ambtenaar meerdere openbare functies en wordt hij in één daarvan geschorst of "gestaakt" -zooals de korte term reeds luidt- dan geldt die maatregel automatisch ook voor de andere functies.
Wil men staking of schorsing vergelijken met maatregelen uit het algemeene ambtenarenrecht, dan kan men zeggen: staking staat gelijk met "schorsing met behoud van "wedde". Ter vermijding van begripsverwarring hoede men zich er echter voor, dezen term te gebruiken voor den zuiveringsmaatregel van staking. Schorsing krachtens het Zuiveringsbesluit en staking toch hebben andere rechtsgevolgen dan de overeenkomstige maatregelen uit het gemeene ambtenarenrecht. Met name heeft de geschorste of "gestaakte" ambtenaar geen beroep op het Ambtenarenrecht of de instantie, die daarmede bij de regeling van zijn rechtspositie is gelijk gesteld (b.v. het gemeentelijk scheidsgerecht). De procedure voor Ambtenarenrecht en Centrale Raad van Beroep -en het is onvermijdelijk een lange procedure- zou het tempo der zuivering immers in een niet verantwoorde mate vertragen. Ook bij o n t s l a g krachtens het Zuiveringsbesluit is beroep op het Ambtenarengerecht uitgesloten.
Dat beteekent nu echter allerminst, dat de verdachte ambtenaar maar voetstoots wordt ontslagen. In de eerste plaats kan ontslag op grond van het Zuiveveringsbesluit slechts verleend worden door den Minister, waaronder de betrokkene ressorteert, geheel onverschilllg welke zijn functie is: Commissaris der Koningin of kolentremmer aan een Gemeentegasfabriek, Hoofdingenieur van den Rijkswaterstaat of concierge bij een Kamer van Koophandel (over het ontslag van enkele hooge ambtenaren beslist de Kroon zelf). Bovendien zijn maatregelen in voorbereiding, waarbij in elke provincie eenige Districtcommissies zullen worden ingesteld, die nadere gegevens zullen verzamelen betreffende het politieke gedrag van de reeds geschorste of gestaakte ambtenaren. Voorts is de Regeering voornemens een centraal administratief orgaan voor de zuivering in het leven te roepen. Hierover later meer.
Een verdere waarborg voor den ambtenaar ligt in een bepaling van het Zuiveringsbesluit, dat geen ontslag mag worden verleend, voordat een speciale Commissie van Advies daaromtrent is gehoord. De leden dezer Commissie zijn reeds geruimen tijd geleden benoemd en alle tot nu toe verleende ontslagen zijn haar gepasseerd. Deze commissie zetelt thans te Londen, doch haar zetel zal binnenkort naar bevrijd gebied worden overgebracht. Wanneer de juist genoemde commissies van advies en onderzoek zullen zijn ingesteld, zullen de door deze samengestelde dossiers, indien de betrokken Minister ontslag overweegt, uiteraard ook aan de hierbovengenoemde centrale Commissie van Advies worden voorgelegd.
Het stelsel is dus:
o n t s l a g slechts na onderzoek en beoordeling der zaak door een centrale daartoe ingestelde Adviescommissie,
s c h o r s i n g bij ernstige verdenking,
s t a k i n g , zoodra de ambtenaar niet meer het noodige vertrouwen geniet.Over de hierbovenbedoelde adviescommissies, die de autoriteiten moeten adviseeren omtrent het nemen der zuiveringsmaatregelen van staking en schorsing nog een enkel woord:
zij zullen in het noorden des lands in eerste instantie worden ingesteld door het Militair Gezag, waarbij o.a. ook met "de illegaliteit" overleg wordt gepleegd; deze zal in het algemeen ook in deze commissies vertegenwoordigd zijn. Bij de zuivering in het Noorden des lands zal een eenigszins andere procedure
p.31
gevolgd worden, dan in het reeds bevrijde Zuiden; zulks op grond van na de bevrijding in het Zuiden opgedane ervaringen. In het Noorden zal n.l. gedurende de allereerste periode na de bevrijding uitsluitend het Militair Gezag zuiveren; dit is noodzakelijk gebleken om gezagsverwarring en gebrek aan doortastendheid bij de zuivering te voorkomen. Gebleken is n.l., dat niet alle burgerautoriteiten dadelijk een juist inzicht hebben in de strekking van het Zuiveringsbesluit, terwijl bovendien -daar waar verschillende autoriteiten naast elkaar gelijktijdig tot zuiveren bevoegd zijn- misverstanden en tijdverlies ontstaan. Zoo spoedig mogelijk zal het Militair Gezag de zuiveringstaak echter aan de burgerautoriteiten overdragen. Dezen worden daarop tijdig voorbereid.
Zoolang uitsluitend of vrijwel uitsluitend het M.G. zuivert, spreekt men van de "eerste phase". Wanneer de burgerautoriteiten de zuiveringstaak overnemen, treedt de z.g."tweede phase" in. Alsdan ligt het accent en de verantwoordelijkheid sterk op de burgeroverheid. Het Militair Gezag blijft echter in de tweede phase krachtens het Zuiveringsbesluit bevoegd, bepaalde ambtenaren te staken of te schorsen, wanneer de burgeroverheid daarin onvoldoende doortastend optreedt. Nadere instructies zijn uitgevaardigd, welke op grond der sedert de bevrijding in het Zuiden opgedane ervaringen een duidelijke competentieverdeeling tusschen de verschillende betrokken instanties van den aanvang af zullen bevorderen.
Wie zijn nu, naast het M.G., in deze tweede phase tot staking en schorsing bevoegd?
Globaal gezegd:
de betrokken Minister voor de ambtenaren, ressorteerende onder zijn departement;
voor het provinciaal personeel, de burgemeesters en het gemeentepersoneel: de Commissaris der Koningin;
voor de politie, de deurwaarders en de notarissen, benevens voor het geheele personeel der rechterlijke macht: de Minister van Justitie;
voor het geheele personeel, werkzaam bij het onderwijs, met inbegrip van het bijzonder onderwijs: de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.De Ministers zijn bevoegd, hun recht tot staking of schorsing van ambtenaren te delegeeren; de Commissaris der Koningin kan dit doen voorzoover de stakingsbevoegdheid betreft.
Men zou nu kunnen vragen: "Kan een ontrouwe ambtenaar niet aan den greep der gerechtigheid ontsnappen, doordat hij zijn ontslag n e e m t, voordat hij het k r i j g t?"
Neen, dat kan niet. Heeft een ambtenaar na de inwerkingtreding van het Zuiveringsbesluit (4 Sept. 1944) ontslag genomen of verkregen, dan kan hij toch nog o p n i e u w ontslagen worden op grond van het Zuiveringsbesluit en hij verliest dan dus alsnog zijn recht op pensioen of wachtgeld.
Wethouders, (d.w.z. "echte" wethouders, die dus nog regelmatig door den Gemeenteraad zijn verkozen) vallen niet onder het Zuiveringsbesluit. Waren zij op 10 Mei 1940 in functie, dan worden zij krachtens het "Besluit Tijdelijke Bestuursvoorziening Provinciën en Gemeenten" (K.B. d.d. 5-9-1944, Stbl. E 86) door den Commissaris der Koningin van hun functie u i t g e s l o t e n, indien zij op grond van hun houding tijdens de bezetting niet meer geacht kunnen worden het vertrouwen der ingezetenen te genieten. Bovendien zijn zij reeds automatisch uitgesloten, indien zij lid of begunstiger zijn geweest eener nationaal-socialistische of fascistische organisatie.
Later dan 10 Mei 1940 opgetreden wethouders -ook al zijn zij nog regelmatig door den Raad benoemd- zijn eveneens uitgesloten, onverschillig hoe hun politieke houding is geweest.
p.32
Voor de leden der Gedeputeerde Staten geldt een regeling geheel analoog aan die voor de wethouders.
Het Spoor- en Tramwegpersoneel is ambtenaar in den zin van het Zuiveringsbesluit en kan dus eveneens aan zuivering onderworpen worden.
******************* 10. LIQUIDATIE VAN DE BEZETTINGS-WETGEVING
Uit "Commentaar" van 30 Dec. 1944.
Het was de regeering van den aanvang af duidelijk, dat op het oogenblik, waarop de bevrijding van het grondgebied een aanvang zou nemen, een regeling zou moeten worden getroffen ten aanzien der vraag, in hoeverre de tijdens de bezetting totstandgekomen wetgeving rechtsgeldigheid bezit. Men kan nl. niet zeggen, dat zg. "bezettingswetgeving" altijd n i e t i g e wetgeving is. Het Haagsche Landoorlogsreglement van 1907 kent den bezetter het recht toe tot het nemen van zekere wetgevende maatregelen, die dan ook na het einde der bezetting hun geldigheid behouden. De uitoefening dezer bevoegdheid is echter gebonden aan de principieele voorwaarde, dat het staatsbestel van het bezette land intact wordt gelaten en slechts dat wordt verordend, wat het dagelijksch bestuur van het land en de belangen der oorlogvoering vereischen. SeVss-Inquart heeft indertijd in zijn "intreerede" ook beloofd, een dergelijke gedragslijn te zullen volgen. In werkelijkheid hebben de Duitschers practisch elk onderdeel van het Nederlandsche rechtsleven van zijn pijlers weggeslagen. Het is begrijpelijk, dat onder deze omstandigheden de Nederlandsche Regeering bij hare beoordeeling van de bezettingswetgeving zich op haar beurt geheel van het Landoorlogsreglement heeft losgemaakt. Anderzijds was het echter practisch niet mogelijk, de tijdens de bezetting totstandgekomen wetgeving zonder meer nietig te verklaren of buiten werking te stellen. Daarom is een ander systeem gekozen: de wetgevende maatregelen uit den bezettingstijd worden aan een onderzoek onderworpen en elk op hun innerlijke waarde beoordeeld.
Het voorloopige resultaat dezer beoordeeling vindt men neergelegd in het "Besluit Bezettingsmaatregelen" (K.B. van 17 September 1944, Stbl. E 93). Hierbij worde in herinnering gebracht, dat tijdens de bezetting nog eenige wetgevende maatregelen zijn uitgevaardigd, welke n i e t van den bezetter afkomstig waren, met name de besluiten van den Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. Gelijk hij het op den avond der capitulatie door de radio mededeelde, trad hij hier te lande op als vertegenwoordiger der Regeering. Het Besluit Bezettingsmaatregelen noemt hem dan ook den "drager van het hoogste burgerlijke gezag".
Thans zijn de door hem uitgevaardigde verordeningen, met enkele uitzonderingen, uitdrukkelijk i n g e t r o k k e n. De wetgevende maatregelen van Generaal Winkelman waren niet talrijk -hebben het helaas ook niet kunnen zijn- doch de eerbied tegenover zijn persoon vereischte, ze in dit résumé niet onvermeld te laten.
Er zij op gewezen dat het Besluit Bezettingsmaatregelen (wij noemen dit thans kortweg "het Besluit") onder de Duitsche bezettingswetgeving ook de
p.33
verordeningen der Secretarissen-Generaal begrijpt. Immers: slechts de b e z e t t e r heeft deze gemachtigd tot het geven van algemeen bindende voorschriften. Aan de N e d e r l a n d s c h e wet ontleenden zij daartoe geen bevoegdheid. Deze geheele wetgeving (dus de verordeningen der Duitdchers zelve en die der Seeretarissen-Generaal) wordt door het Besluit samengevat onder de benaming: "bezettingsmaatregelen, uitgevaardigd door of vanwege den vijand".
Het Besluit maakt voorts een scherp onderscheid tusschen "bezettingsregelingen" en "bezettingsbeslissingen". De bezettingsregelingen zijn verordeningen, algemeen verbindende bevelen, de bezettingsbeslissingen hebben slechts op een speciaal geval betrekking. Tot deze laatste groep behooren dus b.v. een aankoopvergunning, een luistervergunning. De bezettingsbeslissingen zijn in het algemeen instandgehouden, met uitzondering o.a. van die welke strekken tot bevoordeeling van vijanden, landverraderlijke organisaties en de leden daarvan. De laatstgenoemde beslissingen verliezen hun kracht naar gelang het land wordt bevrijd. De "bezettingsregelingen, uitgevaardigd door of vanwege den vijand" -dat is dus weer de wetgeving der Duitschers zelve e n die der Secretarissen- Generaal- worden door het Besluit in twee categorieën verdeeld.
De regelingen dezer laatste categorie zijn nu door het Besluit in het algemeen weer ondergebracht bij een der volgende drie groepen.
- Regelingen, n i e t geplaatst in het Verordeningenblad, de Staatscourant of het Voedselvoorzieningsblad. Deze regelingen worden buiten werking gesteld naar gelang het grondgebied door den vijand wordt ontruimd: niet behoorlijk gepubliceerde wetgeving kon zeker niet door de Regeering worden aanvaard.
- Regelingen. die w e l in een der juist genoemde officieele organen zijn gepubliceerd.
Groep II A: nietig verklaarde regelingen. De regelingen dezer groep worden geacht, nimmer van kracht te zijn geweest. Tot haar behooren de regelingen, in strijd met algemeen Nederlandsche rechtsbeginselen, b.v. de Jodenmaatregelen en de instelling van vrederechters. Nu zijn evenwel uit krachte dezer nietig verklaarde wetgeving tal van dingen gebeurd. Velen zijn beroofd van roerend en onroerend goed. Aan vonnissen van vrederechters is voldaan door betaling van boeten, of door het ondergaan van gevangenisstraf. Omtrent het wedergoedmaken van dit alles geeft het Besluit geen voorzieningen en kan die ook niet geven: de gevallen zijn te zeer uiteenloopend. De Kroon heeft zich slechts het stellen voorbehouden van regelen, krachtens welke de rechtsgevolgen der krachteloos geworden bezettingsbeslissingen moeten worden behandeld. Bij een later K.B. is deze taak opgedragen aan den z.g. Raad voor het Rechtsherstel.
Groep II B: regelingen, buiten werking gesteld met ingang aan het tijdstip der bevrijding. De regelingen dezer groep verliezen hun kracht naar mate het grondgebied door den vijand wordt ontruimd. Tot deze groep behoort b.v. de beruchte "Verordening tot bescherming der openbare orde".
Groep II C: voorloopig gehandhaafde regelingen. Dit zijn de regelingen, wier onmiddellijke opheffing den goeden gang van zaken zou kunnen verstoren, b.v. de distributiemaatregelen, de loon- en prijsstop, de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, enz.
Nu zijn er evenwel nog een aantal regelingen, welke, ofschoon vallende onder categorie II, niet in een der drie groepen A, B of C zijn ondergebracht. Hiertoe behooren regelingen, die de Regeering niet kende, of waaromtrent zij haar oordeel wenschte op te schorten. De Kroon heeft trouwens -tevens voor het Militair Gezag- de bevoegdheid voorbehouden, regelingen van de eene
p.34
categorie in de andere over te brengen. Met betrekking tot deze niet ingedeelde regelingen zegt het Besluit, dat zij als voorloopig geschorst gelden.
Een speciale voorziening is getroffen voor de bezettingsregelingen van lagere organen, d.w.z. van de provinciën, gemeenten en polderbesturen. Aan elk dezer organen is overgelaten, zijn eigen wetgeving te zuiveren. Dat wil dus zeggen dat b.v. elk gemeentebestuur alles onder de loupe neemt, wat er tijdens de bezetting aan verordeningen ter plaatse het licht heeft gezien. Het kan dan overboord werpen wat het wil.
******************* 11. HOE ER DOOR DE GEALLIEERDEN GEVORDERD WORDT
Radiorede van MaJoor Palstra, vertegenwoordiger van de Afdeeling Comptabiliteit van het Departement van Oorlog, gehouden voor Herrijzend Nederland op 9-3-45.
Het is gebleken dat de aanwijzingen welke reeds werden uitgegeven met betrekking tot vorderingen in Nederland ten behoeve van de geallieerde legers, nog niet alle betrokkenen hebben bereikt en tevens, dat ten aanzien van genoemde vorderingen hier en daar nog misverstanden bestaan. In verband daarmee is het noodig geoordeeld om langs dezen weg met enkele woorden een uiteenzetting te geven van den aard der genoemde vorderingen, de wijze waarop zij worden verricht en van de maatregelen welke getroffen zijn om aan de leveranciers zoo spoedig mogelijk betaling te doen geschieden.
Wellicht ten overvloede wordt er nogmaals aan herinnerd, dat vorderingen ten behoeve van de geallieerde legers in Nederland geschieden op grond van overeenkomsten aangegaan met de Nederlandsche regeering. Deze vorderingen vormen een gedeelte van de Nederlandsche bijdrage aan de geallieerde oorlogvoering. Dikwijls wordt nog gemeend, dat voor deze vorderingen door de geallieerde legers betaald zal worden. Dit is niet juist. De betaling van vorderingen in Nederland ten behoeve van geallieerde legers is de verantwoordelijkheid van de Nederlandsche regeering. Daarmee is belast het Departement van Oorlog, hetwelk daarvoor een afzonderlijke afdeeling, de Afdeeling Vorderingen, in het leven heeft geroepen.
Met het geallieerde legerbestuur is overeengekomen, dat vorderingen welke ten behoeve van onze geallieerde vrienden moeten worden verricht, zullen worden uitgevoerd door den burgemeester der gemeente waar het te vorderen object zich bevindt. De burgemeesters ontvangen daartoe de vorderingsformulieren van den betreffenden geallieerden Commandant. Het is de burgemeester, die op grond der Nederlandsche wetten het verlangde goed of de verlangde diensten ten behoeve der Geallieerden vordert. Dit geldt zoowel ten aanzien van onroerende goederen als met betrekking tot diensten en alle denkbare roerende goederen, die gevorderd kunnen worden.
Het eenige contact, dat de eigenaar van het gevorderde met de Geallieerden behoeft te hebben is de aflevering van het gevorderde, waarvoor door de ontvangende instantie op het vorderingsformulier moet worden afgeteekend.
p.35
Met betrekking tot gevorderde roerende goederen geldt, dat wanneer aflevering heeft plaats gevonden, de leverancier bij den burgemeester, door wiens bemiddeling de vordering is geschied, het vorderingsformulier indient tezamen met zijn rekening voor het geleverde. De betaling geschiedt dan door den burgemeester volgens door het Departement van Oorlog bepaalde regelen. Er wordt onderscheid gemaakt tusschen goederen of artikelen, waarvoor van overheidswege een maxiumprijs is vastgesteld en goederen waarvoor geen officieele prijzen gelden. Voor wat de eerstgenoemde categorie betreft is bepaald, dat de burgemeester -indien de officieele maximumprijs niet is overschreden- tot onmiddellijke volledige betaling kan overgaan tegen inlevering. van alle formulieren en een voor voldaan geteekende nota of rekening in duplo, welke op de vordering betrekking hebben.
Betreft het evenwel artikelen of goederen waarvoor geen officieelen prijs is vastgesteld, dan kan de burgemeester, indien het totaal per leverantie een bedrag van maximum Gld. 250.- niet overschrijdt en hij den bedongen prijs redelijk acht, tot directe volledige betaling overgaan.
Vóor grootere leveranties van goederen waarvoor geen officieele prijs is vastgesteld, dient de burgemeester alvorens tot volledige betaling kan worden overgegaan, nadere machtiging van het Departement van Oorlog, Afdeeling Vorderingen, te verkrijgen.
Ten einde evenwel de leveranciers zoo min mogelijk te dupeeren is bepaald, dat de Burgemeester in afwachting van de evengenoemde machtiging reeds direct een voorschot kan verleenen tot maximum 50% van het bedrag der door den leverancier ingediende rekening.
Door het Departement van Oorlog zijn thans voor het bevrijde gedeelte des lands z.g. Regionale vorderingscommissies ingesteld. De leiding dezer Regionale Commissies in handen gesteld van beëedigde experts. Hun taak is: het Departement van Oorlog van Advies te dienen omtrent toe te kennen vergoedingen voor gevorderde artikelen, goederen, diensten enz. Deze commissies zijn opgedragen, in overleg met bestaande vakorganisaties e.d. normen vast te stellen voor de toe te kennen vergoedingen voor bepaalde categorieën gevorderde objecten en diensten.
In de gevallen waarin de burgemeester niet tot onmiddellijke volledige betaling aan den leverancier gemachtigd is, dient bij het betrekkelijk vorderingsformulier -eventueel vergezeld van een opgave van bijzonderheden, die voor de vaststelling van het vergoedingsbedrag van belang kunnen zijn- in te zenden aan de betrokken Regionale vorderingscommissie. Deze stelt op grond hiervan voorloopig een vergoedingsbedrag vast en geeft daarvan kennis aan den burgemeegter en aan het Departement van Oorlog, Afd. Vorderingen.
Bedraagt het aldus voorloopig vastgestelde vergoedingsbedrag niet meer dan maximum Gld. 5.000.-, dan kan de burgemeester dit bedrag direct volledig uitbetalen. Bedraagt het door de Regionale commissie getaxeerde vergoedingsbedrag meer dan Gld. 5.000.-, dan kan de burgemeester een voorschot tot 50% daarvan aan den leverancier betalen of een eventueel reeds door hem verleend voorschot tot dit maximum verhoogen.
Alvorens in dergelijke gevallen evenwel tot definitieve betaling kan worden overgegaan dient de burgemeester de machtiging af te wachten van het Departement van Oorlog, Afd. Vorderingen. Deze machtiging zal onmiddellijk, op ontvangst van het advies van de Regionale vorderingscommissie, aan den burgemeester worden geqeven.
Ten aanzien van gevorderde woonhuizen, gebouwen, opslagruimten e.d. is een zelfde werkwijze voorgeschreven als hiervoren vermeld met betrekking tot roerende goederen. Reeds werd door het Departement van Oorlog een aantal normbedragen bepaald voor vergoeding bij inkwartiering, vordering van bepaalde
p.36
localiteiten ten behoeve van militaire eenheden e.d. Wanneer evenwel voor de vergoeding voor bepaalde onroerende goederen nog geen normen zijn vastgesteld, zendt de burgemeester de betreffende vorderingsbewijzen, eventueel vergezeld van een opgave van bijzonderheden, die voor de berekening van het vergoedingsbedrag van belang kunnen zijn, aan de betreffende Regionale Vorderingscommissie. Laatstgenoemde stelt op ontvangst hiervan voorloopig het per maand toe te kennen vergoedingsbedrag vast, waarvan kennis wordt gegeven aan den burgemeester en het Departement van Oorlog, Afd. Vorderingen.
Blijft het aldus voorloopig bepaalde vergoedingsbedrag onder een maximum van Gld. 5.000.- per jaar, dan is de burgemeester gemachtigd onmiddellijk over te gaan tot volledige betaling over iedere verstreken kalendermaand op basis van de taxatie van de Regionale Vorderingscommissie. Noemt het advies van deze commissie evenwel een vergoedingsbedrag dat het maximum van Gld.5.000.- per jaar overschrijdt, dan is voor de definitieve betaling der maandelijksche vergoeding nadere machtiging van het Departement van Oorlog, Afd. Vorderingen, benoodigd. In afwachting daarvan is de Burgemeester evenwel gemachtigd voorschotten te verleenen tot 50% van het voorloopig bepaalde vergoedingsbedrag.
Wanneer het toe te kennen vergoedingsbedrag door het Departement van Oorlog definitief is bepaald, zal de Burgemeester over de verstreken periode met den eigenaar van het pand afrekenen en verder voor den duur van het gebruik maandelijks aan den eigenaar betaling doen van de vastgestelde vergoeding.
Er moge nogmaals aan herinnerd worden, dat de burgemeester ingevolge het rondschrijven van den Chef van den Staf van het Militair Gezag van 1 December 1944 Nr. S. 411 gemachtigd is, zoo hij zulks noodig acht, aan den eigenaar of huurder van gevorderde onroerende goederen voorschotten te verleenen voor het verrichten van noodzakelijke betalingen voor water, gas en electriciteit enz., en ter voorziening in hun eigen levensonderhoud.
Hiervoren is in het kort uiteengezet, datgene wat voor de eigenaars van goederen en huizen, die gevorderd zijn, van direct belang moet worden geacht. Op 1 Maart jl. is door het Departement van Oorlog Afd. Vordering en een rondschrijven gericht aan alle Burgemeesters in het thans bevrijde gebied, waarin terzake uitvoerige gedetailleerde aanwijzingen en inlichtingen zijn gegeven.
Omtrent deze aangelegenheden zijn voorts de Commissarissen van het Militair Gezag volledig geïnformeerd en aan alle betrokken instanties is verzocht aan de particuliere belanghebbenden zooveel mogelijk voorlichting te geven aan de hand van de vanwege het Departement van Oorlog verstrekte aanwijzingen hoe ten aanzienvan vorderingen ten behoeve van de Geallieerden moet worden gehandeld.
De regeering is overtuigd van de noodzaak, dat de vergoeding voor verrichte vorderingen zoo spoedig mogelijk aan belanghebbenden wordt uitbetaald. Van de zijde van het Departement van Oorlog wordt te dien einde al het mogelijke gedaan, om aan dezen eisch te voldoen.
Om het gestelde doel evenwel te kunnen verwezenlijken is de volledige medewerking van alle burgerlijke gezagsinstanties noodig. Het is van voldoende bekendheid dat de gemeentebesturen onder de huidige moeilijke omstandigheden zonder uitzondering zéér zwaar zijn belast. Het Departement van Oorlog is er zich volkomen van bewust, dat in verband met de vorderingen ten behoeve van de geallieerden en de betaling daarvan uitermate zware lasten op de gemeenteinstanties worden gelegd. In het belang van de Nederlandsche bevolking meent het Departement van Oorlog evenwel ten volle op de medewerking van de burgemeesters en van het gemeente personeel te mogen rekenen.
*******************
p.37
12. HET VRAAGSTUK DER VOORLICHTING
Uit "Commentaar" van 22 Dec. 1944.
Algemeen wordt in deze dagen de roep gehoord om meer voorlichting . Zooals het publiek van bevrijd Nederland vraagt om meer voedsel, zoo bestaat er ook een ware honger naar voorlichting in elken zin van dit veelomvattend woord. Na 4 jaar lang behandeld te zijn geworden als een onmondig kind, wil het mondig volk van Nederland nu bovenal weten. Weten wat er gebeurt, waarom het gebeurt en vooral waarom de dingen, die men zoo gaarne zàg gebeuren, zoo vaak niet gebeuren. Kortom, men verlangt kennis van zaken op al die gebieden, waarop men kennis van zaken moet hebben om zich, zooals het een vrij volk betaamt, een eigen gefundeerde meening te kunnen vormen.
Het is duidelijk, dat het van het grootste belang is, dat aan dezen eisch zoo spoedig en volledig mogelijk wordt voldaan. Elke dag immers, dat de honger naar kennis niet of niet voldoende wordt gestild, leidt tot misverstanden, geruchten of waanvoorstellingen, welke maar al te gemakkelijk de zoo essentieele samenwerking en het wederzijdsche begrip tusschen de autoriteiten en het publiek in gevaar zouden kunnen brengen. Elke dag ook, dat niet voorzien wordt in de behoefte aan nieuws betreffende de buitenwereld en zelfs betreffende andere deelen van het bevrijde gebied, beteekent een langer voortduren van de tijdens den oorlog door de Duitschers bewerkstelligde afsnoering van de vrije wereld, en tevens van de na de bevrijding ingetreden geestelijke isolatie der verschillende deelen van het bevrijde gebied onderling, welke het gevolg is van de vernieling of buitenwerkingstelling der communicatiemiddelen.
Bijna even belangrijk derhalve als de voedselvoorziening is de verzadiging van dezen geestelijken honger. Niemand zal willen beweren, dat er op dit gebied van voorlichting ook nog maar in de verste verte genoeg is bereikt. Ondanks het manhaftig streven van de bladen om zonder verreschrijvers, zonder telefoon, zonder postverkeer, ja, vaak zelfs zonder papier, hun lezers toch een zoo goed mogelijke berichtgeving te brengen, leeft bevrijd Nederland nog steeds voor een belangrijk deel in een geestelijke duisternis, welke in de plaats is getreden van den valsch-hellen schijn der Duitsche voorlichtingsmethoden. Tot op zekere hoogte zou men zelfs kunnen zeggen, dat het publiek van bevrijd Nederland nog minder weet wat er omgaat, dan voorheen. Weliswaar kan de waarheid omtrent het wereldgebeuren ten langen leste weer vrijelijk worden verspreid. Er kan weer zonder gevaar naar de radio worden geluisterd en er kunnen weer vrije bladen worden gedrukt, maar radio's en drukpersen kunnen hun werk slechts doen, voor zoover de electriciteit en het papier aanwezig zijn en daarmede, is het, gelijk een ieder bekend, nog steeds weinig gunstig gesteld.
Kortom, voorlichting in onzen tijd vereischt apparatuur en grondstoffen. Zij vereischt bovenal communicatiemiddelen. En deze drie voorwaarden voor een behoorlijke voorlichting zijn op het oogenblik nog allerminst vervuld. Evenals de krijsgverrichtingen, waarmede de bevrijding is gepaard gegaan, de voedselvoorziening onvermijdelijkerwijs hebben gestagneerd, zoo hebben ook dezelfde vernielingen de voor een behoorlijke voorlichting onmisbare hulpmiddelen tijdelijk uitgeschakeld.
Daarbij komt, dat de wederinschakeling dezer middelen, waarbij vooral moet worden gedacht aan het telegraaf-, telefoon- en postverkeer om redenen van
p.38
militaire veiligheid eerst volledig tot stand kan komen, nadat Nederland veel verder achter de frontlijn is komen te liggen dan nu. Een andere belemmerende omstandigheid is het feit, dat de voorziening met geestelijk voedsel voor den oorlog sterk gecentraliseerd was met het zwaarteptrnt in Zuid- en Noord-Holland. Van daaruit werden de dagbladen door middel van het A.N.P. voorzien van buitenlandsch nieuws en ook van binnenlandsche berichtgeving. Daar -in Noord- en Zuid-Holland- staan (of stonden) de omroepzenders. Daar kwamen de telegraaf- en telefoonkabels binnen, die Nederland met het buitenland verbonden. Daar waren de centrale distributieorganen gevestigd voor zulke belangrijke voorlichtingsmedia als boeken, tijdschriften, foto's, films, etc.
Tenslotte wordt een behoorlijke voorlichting omtrent het overheidsbeleid of, liever gezegd, een toelichting en verklaring daarvan, nog bemoeilijkt door het feit, dat Nederland vóór den oorlog niet beschikte over een uitgebreide officieele voorlichtingsdienst. Het gevolg hiervan is, dat zij, die nu moeten optreden als de schakel tusschen de overheid eenerzijds en pers en publiek anderzijds, daarbij niet kunnen terugvallen op een bestaande en wijdvertakte organisatie.
Tezelfdertijd nu, dat de behoefte aan voorlichting en geestelijk voedsel op elk gebied grooter dan ooit is geworden, terwijl de technische middelen, noodig om in die behoefte te voorzien, uitermate beperkt zijn, is de rol, die de overheid bij de voldoening dezer behoeften moet spelen, oneindig veel omvangrijker geworden, dan zij voor den oorlog was of na het herstel van normale verhoudingen weer zal zijn. Waar de vertegenwoordigers van de pers vroeger naar de departementen konden gaan, om inlichtingen in te winnen omtrent het overheidsbeleid, of de door hun benoodigde kennis aan de parlementsverslagen konden ontleenen, kunnen zij nu, bij gebrek aan transport en ontstentenis van een parlement veelal slechts hopen, dat de overheid zelf het initiatief zal nemen om de noodige toelichting en verklaring beschikbaar te stellen. Daarnaast staat het feit, dat Nederland nog steeds midden in het gevechtsterrein ligt, zoodat nog vrijwel geen commercieel verkeer mogelijk is. Ook de voorziening van geestelijk voedsel in den vorm van boeken, buitenlandsche films, foto's en zelfs buitenlandsch nieuws, welke in vredestijd door het particuliere bedrijf wordt verzorgd, kan derhalve op het oogenblik voor een belangrijk deel alleen geschieden door bemiddeling van de overheid, welke dan bovendien nog over voldoende transportmiddelen moet kunnen beschikken, om dit materiaal te verspreiden.
Het zal dus duidelijk zijn, dat bevrijd Nederland, hoezeer het ook een gerechte aanspraak kan maken op een volledige en onmiddellijke verzadiging zijner geestelijke behoeften, nog aanzienlijken tijd geduld zal moeten oefenen, voordat op dit gebied een eenigszins bevredigende toestand zal zijn geschapen. Dit beteekent niet, dat niet al het mogelijke wordt gedaan, om zoo spoedig mogelijk verbetering in den huidigen toestand te brengen. Daartoe zijn door het Militair Gezag reeds in Engeland, in overleg met den Informatiedienst van het Geallieerd Hoofdkwartier, een aantal voorbereidingen getroffen, die het mogelijk hebben gemaakt, dat althans aan enkele van de meest essentieele behoeften op de verschillende gebieden van voorlichting reeds in beperkte mate kan worden voldaan. Men dient er echter bij de beoordeeling dezer maatregelen rekening mede te houden, dat ook de in Engeland beschikbare middelen allerminst onuitputtelijk waren. Ook daar te lande heerscht bijvoorbeeld groote papierschaarschte, welke het onmogelijk maakt, groote hoeveelheden Engelsche boeken aan te koopen of Nederlandsche boeken te laten drukken (waarvoor trouwens op het oogenblik toch geen transport te krijgen zou zijn). Tevens moest men zich daarbij steeds afvragen, of de beschikbare en uiteraard beperkte financieele middelen, niet eerder moesten worden aangewend voor de dekking der belangrijkste materieele levensbehoeften van het Nederlandsche volk zooals voedsel, kleeding e.d.
Inmiddels beginnen de eerste resultaten der in Engeland gemaakte
p.39
voorbereidingen nu toch merkbaar te worden. In een belangrijk deel van bevrijd Nederland kan reeds geregeld worden geluisterd naar den zender Herrijzend Nederland, welke omroep, mede dank zij de voorbereidingen, die in Nederland tijdens de bezetting reeds waren gemaakt, in 14 dagen kon worden opgebouwd en sindsdien geregeld 11 nieuwsbulletins per dag uitzendt, Radio-Oranje relayeert en daarnaast nog beschouwingen geeft over allerlei onderwerpen van algemeen belang. Vrijwel alle bladen, die in bevrijd gebied verschijnen, ontvangen een geregelden nieuwsdienst van het pers-agentschap Anep-Aneta, welke nog een aanzienlijk grooteren omvang zal verkrijgen, naarmate de technische apparatuur voor nieuwsvoorziening zal verbeteren. Dank zij den Informatiedienst van het Geallieerde Hoofdkwartier worden nu ongeveer 46 bioscopen min of meer geregeld voorzien van films, terwijl ook de eerst in Engeland voorbereide boeken en tijdschriften via den boekhandel hun weg naar het publiek beginnen te vinden. Teneinde het contact tusschen overheid en publiek nauwer aan te halen, zijn bij de Militaire Commissariaten in de belangrijkste steden speciale afdeelingen Voorlichting ingesteld, die tot taak hebben, pers en publiek zooveel mogelijk behulpzaam te zijn bij het verkrijgen van de noodige gegevens omtrent het overheidsbeleid en andere kwesties van algemeen belang in hun rayon.
Tenslotte is tegelijkertijd op het Hoofdkwartier van het Militair Gezag een organisatie opgebouwd, welke niet alleen moet optreden als schakel tusschen het Militair Gezag eenerzijds en pers, radio en publiek anderzijds maar welke tevens tot taak heeft in samenwerking met de informatiedienst van het Geallieerde Hoofdkwartier en met behulp van de, in deze phase alleen aan de overheid ter beschikking staande, middelen op het gebied van transport en communicatie, de particuliere voorlichtingsorganisaties, zooals pers, uitgeverij, bioscoopbedrijf e.d. zooveel mogelijk behulpzaam te zijn bij de voorziening in de meest dringende behoefte aan geestelijk voedsel van alle soort.
******************* 13. OBSTAKELS VOOR HET ECONOMISCH HERSTEL
Uit "Commentaar" van 3-2-1945.
In vele opzichten is het een vreemde tijd waarin wij leven. De gang der dingen heeft ons een wereld geschapen, waarin wij voor problemen zijn gesteld, die, wat hun aard betreft, in de geschiedenis waarschijnlijk nog niet voorgekomen zijn. Immers, het merkwaardige feit doet zich voor, dat wij in bevrijd Nederland als menschen uit de 20ste eeuw en gewend om op moderne wijze te werken en te denken, plotseling moeten trachten een berg problemen op te lossen met middelen en onder omstandigheden, die meer bij de Middeleeuwen zouden passen. Geen electriciteit of stoom: geen communicatiemiddelen; het zijn toestanden die inderdaad doen denken aan het leven een paar eeuwen geleden, met dit kardinale verschil echter, dat toentertijd de geheele samenleving daarop was ingesteld en thans zulks allerminst gezegd kan worden.
Dit laatste vormt feitelijk het kernprobleem in dezen tijd. De mechanisatie en centralisatie van de productie hebben op de moderne samenleving dusdanig hun stempel gedrukt, dat, wanneer men haar de middelen, waarmede handel en
p.40
industrie plachten te werken ontneemt, het geheel tamelijk sterk ontwricht wordt.
Om het verschil tusschen vroeger en nu duidelijk uiteen te zetten: een paar eeuwen geleden kon elk dorp of elke stad in zeer belangrijke mate in zijn eigen behoefte voorzien; er waren kleine producenten in elke plaats, die vrijwel in de geheele behoefte van de burgerij aldaar konden voorzien en die hun goederen met gebruikmaking van zeer weinig hulpmiddelen konden produceeren. Daartegenover staat de moderne samenleving waar de productie van welhaast alle goederen is samengetrokken op slechts enkele plaatsen in binnen- of buitenland, daar waar de omsiandigheden het gunstigst zijn voor dien specialen tak van bedrijf. De technische ontwikkeling zelf tenslotte, maakt gebruik van tallooze grondstoffen, die in het land zelf niet aangetroffen worden, dus ook van buiten de grenzen moeten worden aangevoerd.
Dit is dus ongeveer het beeld: een middeleeuwsche toestand in een moderne wereld.
Op het oogenblik leven wij voor een belangrijk deel van hetgeen de Geallieerden aanvoeren voor civiel gebruik en wat zij zelf kunnen produceeren. Doch willen wij op den duur weer in ons eigen onderhoud kunnen voorzien, dan zal er tegenover dezen import ook weer een uitvoer van Nederlandsche producten dienen te staan en dat is het vraagstuk, dat op het oogenblik, naast de vele andere problemen, zeer veel hoofdbrekens kost.
Van internationaal handelsverkeer in den vooroorlogschen zin van het woord kan op het oogenblik nauwelijks gesproken worden. Vrijwel de enige partner die wij op het oogenblik hier hebben is België, en het is derhalve met dit land, dat in den laatsten tijd de nauwste betrekkingen worden onderhouden. Men zie de monetaire overeenkomst, het douane-verdrag en de vele andere betrekkingen, die worden aangeknoopt. Echter ook België zelf heeft met moeilijkheden te kampen waar onze handel voor den oorlog bovendien de geheele wereld bestreek, is het duidelijk dat het uitermate beperkte internationale handelsverkeer van het oogenblik allerminst voldoende is om de basis voor een spoedig economisch herstel te leggen. Daarbij komt, dat ten gevolge van de oorogsomstandigheden een deel van het productie-apparaat is vernield.
De vraag is dus nu, op welke wijze de zaak weer op gang kan worden gebracht. Wanneer men de mogelijkheàen daartoe nagaat, komt men tot de conclusie, dat er een zekere wederkeerigheid tusschen de verschillende belemmerende factoren bestaat. Door gebrek aan transport is in vele plaatsen gebrek aan kolen, terwijl elders voorraden steenkool aangelegd moeten worden; door gebrek aan kolen draaien voedselindustrie en andere industrieën niet en de matige voeding werkt weer ongunstig op de arbeidsprestaties in deze drie takken van bedrijf. Zoo zijn er meer van dergelijke wisselwerkingen te constateeren en de vraag is nu, op welk punt men dezen cirkelgang van belemmerende invloeden moet aangrijpen om uit de impasse te geraken.
Wil men de productie van voedingsmiddelen stimuleeren dan zullen, behalve levensmiddelen zelf, ook zaaizaad, kunstmest, landbouwmachines, kalksteen (voor de suikerfabrieken) en meer van dergelijke producten moeten worden ingevoerd. Wil men den vicieuzen cirkel bij het transport verbreken, dan zal daarvoor noodig zijn invoer van vrachtwagens en benzine, Kortom een primaire voorwaarde voor het op gang brengen van ons economisch leven is "inspuiting" met grondstoffen en producten.
Doch daarnaast is het verrichten van voldoende arbeidsprestaties even noodzakelijk als het invoeren van goederen. Het een zonder het ander zal niet kunnen leiden tot het gewenschte herstel en dit is dan ook de belangrijkste conclusie, die men uit de beschouwing van den huidigen uiterst verwikkelden toestand kan trekken n.l., dat Nederland op het oogenblik en zelfs wellicht voor meerdere jaren zich tevreden zal moeten stellen met een uiterst sobere
p.41
levenswijze en tegelijkertijd een maximum van arbeidsprestatie zal dienen op te brengen. In dit verband moge er nog op worden geweze, dat, wanneer straks Noord-Nederland bevrijd is, de behoefte aldaar aan invoer van producten nog vele malen grooter zal zijn dan die van het thans bevrijde gebied en dat het, dientengevolg de taak van het Zuiden is, mede te trachten zooveel mogelijk hierin te voorzien.
Rusland stond na de revolutie voor dergelijke problemen. Weliswaar beschikte men aldaar over vele grondstoffen; doch ook daar heeft men jaren lang zich alle luxe moeten ontzeggen en het uiterste aan inspanning van de geheele bevolking moeten vergen. Zonder deze politiek zou Rusland nooit de overstelpende hoeveelheid oorlogsmateriaal hebben kunnen opbrengen, waarmede thans de overwinning op onzen gemeenschappelijken vijand wordt bevochten. Engeland en Amerika hebben getoond, wat in korten tijd kan worden bereikt door een totale inschakeling van alle beschikbare arbeidskrachten.
Wat voor de oorlogvoering bereikt is kunnen worden, moet ook voor het vredeswerk mogelijk zijn. Ook in Nederland.
******************* 14. DE OORLOGSVRIJWILLIGERS
Uit "Commentaar" van 23-2-1945.
De vrijwilligers-kwestie was niet eenvoudig. Zij is het trouwens nog niet, ofschoon er sedert kort meer verschiet in de zaak is gekomen, waarover in dit artikel een en ander zal worden medegedeeld.
Maar alvorens te beschrijven, hoe de organisatie in elkaar zit, die thans sedert eenigen tijd aan het werk is, moge een enkel woord besteed worden aan het verleden. Het verleden, dat zijn de afgeloopen paar maanden, die sedert de bevrijding zijn verloopen en waarin men over het algemeen niet zuinig is geweest met critiek over alles, wat met de werving van oorlogsvrijwilligers te maken had. Critiek, waartoe soms gegronde aanleiding bestond; het zou onoprecht en zinloos zijn dit te ontkennen, want ongetwijfeld zijn er fouten gemaakt. Doch ook critiek, vaak, die zich te zeer blind staarde op een enkel feit, zonder voldoende inzicht te hebben in de totaal onverwachte en hopeloos verwarde omstandigheden, waaronder alles maar zijn weg moest zien te vinden. Het is eenvoudig om den vinger op een wonde plek te leggen, maar als men verder de oorzaken van de kwaal niet kent, wordt niemand er veel wijzer door.
Een van de hoofdoorzaken van de moeilijkheden is te vinden in het feit, dat men te Londen, toen ons land nog geheel bezet was, geen zuivere schatting maken kon van de aantallen vrijwilligers waarop gerekend moest worden. Men wist, dat het enthousiasme in Nederland, om voor de goede zaak te strijden, groot was, doch miste uit den aard der zaak een concrete basis, waarmee men kon werken, ook al omdat veel afhing van den gezondsheidstoestand van het volk en van de mate, waarin de Duitscher hierop hun mannen-roofzucht zouden bot vieren.
De enorme stroom van aanmeldingen, die reeds direct in den beginne bij de aanmeldingsbureaux binnenliep, overtrof inderdaad alle verwachtingen; op een dergelijk enthousiasme had men niet gehoopt te kunnen rekenen. Met het
p.42
gevolg, dat er meer transport aangevraagd moest worden, méér uniformen en uitrustingsstukken en, vooral, méér plaatsruimte en gelegenheid om de manschappen hun opleiding te geven. Dat dit eenigen tijdvorderde,zal een ieder, die de omstandigheden in de huidige periode van de oorlogvoeringkent, duidelijk zijn.
Een andere belemmerende factor ontstond door het onvoorziene, ook in Nederland niet verwachte feit, dat de volle massa van het West-Europeesche front voor een belangrijk deel en voor geruimen tijd dwars over ons land kwam te liggen. Dit was een omstandigheid die, afgezien van ellende, die hier voor ons land direct uit voortvloeide, twee bijzonder ernstige geVolgen had. In de eerste plaats werd het land in tweeën gesneden en werd het Noorden, waar het meerendeel van de ambtelijke apparatuur is gevestigd, met alles wat daartoe behoort,van het bevrijde gebied gescheiden. Ten tweede, heeft het feit, dat het front midden in ons land voor meerdere maanden ongeveer tot stilstand kwam, tengevolge, dat het bevrijde gebied nog steeds aan strenge beperkingen onderworpen is.
De oorlogvoering eischt hierin deze streken, zoo vlak achter het front, haar volle rechten op. Zij legt, meer dan op andere reeds bevrijde landen, het nationale leven tijdelijk soms aan banden, daar waar de internationale zaak om den voorrang vraagt.
"Maar" zoo zal men vragen, "dienen onze oorlogsvrijwilligers de groote zaak soms niet?" Er zal niemand zijn, die dat zal tegenspreken. Doch het is begrijpelijk, dat de Geallieerde legerleiding, wier medewerking uiteraard noodig is voor de opleiding, in deze maanden van uiterste inspanning hieraan niet dien voorrang verleenen kón, die menig Nederlandsch vrijwilliger wel wenschte. Daarenboven moet van elken vrijwilliger het politiek verleden worden onderzocht, want zelfs onder het blankste koren zit nog kaf.
En tot besluit van deze reeks verklarende factoren moet, zooals bij vrijwel alle problemen in dezen tijd, het enorme gebrek aan commnnicatiemiddelen worden genoemd, vooral in het begin. Géén middelén om materialen aan te voeren, géén middelen om vrijwilligers af te voeren en vooral ook geen middelen om direct in den beginne het contact te kunnen leggen, dat voor een organisatie als deze noodzakelijk is. Vandaar, dat in den aanvang overal tot plaatselijke werving werd overgegaan, zonder voldoende mogelijkheid tot onderling contact, hetgeen ook hier en daar tot moeilijkheden aanleiding gaf.
Dit waren zoo de ervaringen, die men in de afgeloopen maanden heeft opgedaan en waarvan gebruik gemaakt werd bij de reorganisatie, waarover thans een en ander zal worden medegedeeld.
Op 15 December 1944 is opgericht het Centraal Vrijwilligers Bureau (C.V.B.) ingesteld bij Koninklijk Besluit en staande onder de Departementen van Marine en van Oorlog. Op het oogenblik heeft het C.V.B. 15 aanmeldingsbureaux in bevrijd gebied, benevens een Centrale in België. De bureaux, waarvan hierboven sprake was, zijn thans alle bij het C.V.B. ondergebracht.
Dit Centraal Vrijwilligersbureau heeft een tweeledige taak: aan den eenen kant heeft het te voorzien in de behoeften, die van militaire zijde worden geuit anderzijds moet het erop toezien, dat door het onttrekken van jonge mannen aan het civiele leven dit laatste niet worde ontwricht, waar het bedrijven en instellingen geldt, die voor de oorlogvoering en voor de instandhouding en bescherming van de volkshuishouding van vitaal belang zijn.
De leiding van deze organisatie berust bij het Hoofd C.V.B., die voor de militaire aangelegenheden wordt terzijde gestaan door een Adviescommissie, waarvan het Hoofd C.V.B. tevens Voorzitter is en waarin zitting hebben;
een lid, aangewezen door en vertegenwoordigende den Minister van Marine,
een lid, namens den Minister van Oorlog,
een lid, namens den Minister van Koloniën (thans: Minister van Overzeesche Gebiedsdeelen);
een lid, namens den Directeur der Nederlandsche Luchtstrijdkrachten.
p.43
Voorts zijn hieraan nog toegevoegd een tweetal leden, waarvan één den adviseur voor de Landmacht bijstaat inzake kwesties aangaande de te vormen "Expeditionaire Macht (E.M.)", d.i. de legermacht, die straks de bevrijding van Indië te land zal moeten bevechten. Het andere lid is een Inspecteur van den Arbeid, die in het bijzonder advies uitbrengt, waar het de sociale problemen betreft, die aan de werving van vrijwilligers vastzitten.
Zooals blijkt, zijn in deze Adviescommissie dus Land-, Lucht- en Zeemacht vertegenwoordigd; een enkele toelichting moet nog gegeven worden bij de vertegenwoordiging van den Minister van Koloniën, Voor de bevrijding van Nederlandsch-Indië van den Japanschen overheerscher, zullen onder meer Nederlandsche troepen worden ingezet, onder den naam van "Gezagsbataljons voor Indië". Deze troepen zijn niet een soort politie-troepen, doch zullen deelnemen aan den strijd tegen de Japanners.
De gezagsbataljons voor Indië worden gevormd als onderdeelen v.d. Koninklijke Landmacht, om daarna in hun geheel tijdelijk ter beschikking te worden gesteld van het Kon. Ned. Ind. Leger. Uit het personeel wan deze gezagsbataljons zal later het personeel voor het Kon. Ned. Ind. Leger worden gekozen. De weg naar het K.N.I.L. leidt dus over de "Gezagsbataljons voor Indië". Rechtstreeksche werving voor het K.N.I.L. heeft derhalve niet plaats. Het is met het oog op de vorming van deze blijvende Indische legermacht, dat de vermelde vertegenwoordiger van den Minister van Koloniën is opgenomen in de Adviescommissie.
Het C.V.B. bemoeit zich met de recruteering van de volgende vier groepen:
- Oorlogswijwilligers,
- Vrijwilligers op den voet van gewoon dienstplichtige,
- Bepaalde categorieën Reservepersoneel en personeel, dat in 1940 dienstplichtig was,
- Beroepspersoneel.
De Adviescommissie stelt nu in gemeen overleg de contingenten vast, die bij de Land-, Lucht- en Zeemacht moeten worden ingedeeld. In totaal verwacht men, als geheel Nederland bevrijd is, van de bovenstaande vier groepen op vele duizenden te kunnen rekenen. Deze mannen, die door hun aanmelding reeds getuigen van hun wil, het Vaderland te dienen, zullen, na hun opleiding, tezamen met het goede deel van het vroegere beroepskader de kern vormen van onze nieuwe Nederlandsche strijdkrachten.
Tot nu toe hebben zich reeds duizenden vrijwilligers gemeld, afgezien van de leden van de "Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten" (N.B.S.). Dat het enthousiasme nog lang niet gedoofd is, blijkt uit de groote aantallen, die zich spontaan aanmelden, zoodra er weer een oproep voor den een of anderen dienst wordt gedaan. Een oproep van de Marine, eenigen tijd geleden, voor havenpersoneel, waarvoor zich het l2-voudig aantal opgaf van dat wat noodig was, levert hiervoor een sprekend bewijs.
De vrijwilligers, die bestemd zijn voor het Continentale leger, d.w.z. onder meer voor de bezettings- en bewakingstroepen in Duitschland, zullen hun opleiding krijgen in Frankrijk en België. In Nederland zelf is momenteel n.l. geen plaats en waarom zou men ze naar Engeland brengen, als zij na hun opleiding toch weer op het Continent worden ingedeeld. Wel echter staat de opleiding geheel onder leiding van Geallieerde officieren. Vele vrijwilligers zijn reeds naar de kampen in België en Frankrijk vertrokken. Zij, die opgeleid worden voor de Expeditionaire Macht, en die aan de bevrijding van Indië deel zullen nemen, moeten een zeer speciale opleiding ontvangen. Ook deze opleiding is reeds begonnen. Zij, die zich voor de Luchtstrijdkrachten opgeven, gaan, gedeeltelijk
p.44
naar Engeland, gedeeltelijk naar Amerika. Het jongste onderdeel van de Nederlandsche strijdkrachten, tenslotte, wordt gevormd door de Marine Vrouwen Afdeeling (MARVA) en het Nederlandsch-Indisch Vrouwen Hulp Korps.
Tot zooverre de organisatie, zuiver van de militaire zijde bezien. Maar aan de werving van oorlogsvrijwilligers zit nog een anderen kant. Gezien het groote enthousiasme, dat er allerwege bestaat om zich als vrijwilliger op te geven, bestaat het gevaar, dat het civiele bedrijfsleven hierdoor min of meer "leeggezogen" wordt, hetgeen in dezen totalen oorlog tot een ware catastrophe leiden zou. Vandaar dat er een schifting moet worden gemaakt, wie tot de militaire opleiding toegelaten kan worden en wie tot taak heeft, het misschien minder avontuurlijke, maar voor de oorlogvoering zeker even belangrijke, werk in de fabriek, op het land of in overheidsdienst te blijven vervullen.
De uitvoering van die schifting is het tweede aspect van het werk van het Centraal Vrijwilligers Bureau. Het C.V.B. staat daarbij min of meer op de scheidslijn tusschen het burgerlijke en het militaire leven; het ontvangt, zooals boven beschreven, de aanvragen van militairen kant en ziet anderzijds, hoe hier aan te voldoen is, zonder het civiele leven te veel te verstoren. Het is met het oog op deze sociale taak, dat aan de Adviescommissie een Inspecteur van den Arbeid is toegevoegd, zooals boven reeds werd vermeld. Men gaat hierbij niet incidenteel te werk, doch oordeelt volgens vaste richtlijnen. Daarbij ontstaat een groep van vrijgestelde beroepen en functies, die niet in aanmerking kunnen komen voor den dienst. Behalve ziekenhuizen, bepaalde overheidsdiensten e.d., behoort daartoe een heele reeks van bedrijven; echter zijn weer niet alle personen, die daarin werkzaam zijn, uitgesloten van den dienst. Voor elke soort bedrijf of organisatie is vastgesteld, welke functies daarin als onmisbaar moeten worden beschouwd en welke functionarissen eventueel wel voor den militairen dienst zouden kunnen worden onttrokken, zonder dat het bedrijf zelf daardoor stagneert. Ook zijn hierbij nog bepaalde leeftijdsgroepen in rekening gebracht.
Zoodoende is men tot een overzichtelijk schema gekomen, waarin elke adspirant-militair kan worden geclasseerd en waarmee onmiddellijk kan worden nagegaan of het hier personen betreft "wier aanwezigheid onontbeerlijk is in diensten, bedrijven of bedrijfstakken, voorzoover deze voor de voorziening in de behoeften van de strijdkrachten, of ter voorziening in de behoeften, resp. ter bescherming van de volkshuishouding in stand dienen te blijven", zooals de officieele omschrijving luidt.
Dit systeem, dat volgens ongeveer dezelfde principes in Engeland wordt toegepast, heeft het groote voordeel eenerzijds, dat het een "wilde" recruteering voorkomt; anderzijds, dat het snelle beslissing mogelijk maakt en niet elk geval incidenteel bekeken behoeft te worden. In de practijk zal ongetwijfeld blijken, dat in sommige gevallen civiele privé-belangen geschaad zullen worden. Dit is iets, dat onvermijdelijk is en dat door elk rechtgeaard Nederlander aanvaard zal worden, in het besef, dat in den oorlogstoestand waarin wij verkeeren, het algemeen belang door geen enkel individueel belang overschaduwd mag worden. In ditzelfde besef zullen ook zij, die, uitgesloten zijnde van den militairen dienst, een bepaalde taak in het burgerleven is toegedacht, deze taak met de grootste plichtsbetrachting blijven vervullen op de plaats waar hun functie van belang wordt geacht.
*******************
p.45
15. HET TEXTIEL-PROBLEEM
Uit "Commentaar" van 12-3-1945.
In vele opzichten staat het bevrijde deel van ons volk er zoo voor als Robinson Crusoë, nadat hij de schipbreuk had overleefd. Ook bij ons woedde, figuurlijk gesproken een langdurige, vernielende storm; toen we deze doorstaan hadden en wat tot onszelf waren gekomen, gingen we uit het wrak van ons schip redden wat we konden. Daarbij ging het natuurlijk in de allereerste plaats om het noodige voedsel te krijgen. En nu de voedselvoorziening een redelijk peil heeft bereikt, richt onze belangstelling zich op het vraagstuk van kleeding en dekking. Hoe staat het daarmee?
Het is haast overbodig te zeggen, dat de textielpositie niet rooskleurig is. Iedereen weet, dat de voorraden textielproducten bij onze winkeliers en grossiers reeds lang minimaal waren. Tijdens de bezetting werden ze bijna niet aangevuld, omdat de productie der fabrieken geheel door Duitsche instanties werd opgeëischt. Bovendien werkten vele fabrieken in de laatste jaren met een kleine bezetting of werden geheel gesloten, zoodat daar bijna geen voorraden werden aangetroffen.
Men moest dus na de bevrijding van het zuiden opnieuw beginnen met een industrieel apparaat, dat weliswaar weinig beschadigd was, doch te kampen had met een groot gebrek aan geschoold personeel en aan energievoorziening. Het vroegere personeel is namelijk, na de inkrimping tijdens de bezetting, gedeeltelijk naar Duitschland gevoerd, gedeeltelijk ondergedoken, of in andere bedrijven aan 't werk gegaan. De moeilijke electriciteits- en kolen-voorziening tenslotte, mag voldoende bekend worden geacht. In de laatste maand is hierin eenige verbetering gekomen.
Ook al zouden echter deze technische moeilijkheden worden overwonnen, dan nog is het probleem geenszins opgelost. Immers het ontbreekt ons bijna geheel aan de grondstoffen katoen en wol, voor de vervaardiging van bovenkleeding. Van de grondstof voor kunstzijden artikelen, cellulose, liggen er bij twee fabrieken in het zuiden wel eenige voorraden, doch deze zijn slechts toereikend voor een fabricage van eenige maanden. De eenige grondstof, waarover we in ruime mate beschikken, is vlas voor de linnenindustrie. Nederland behoort namelijk tot de groote vlasproducenten.
Op invoer van de ontbrekende grondstoffen zullen we voorloopig niet moeten rekenen. Alle beschikbare scheepsruimte der Vereenigde naties is overbelast met den aanvoer van oorlogsmateriaal en van levensmiddelen voor de bevrijde gebieden. Katoenen en wollen artikelen kunnen dus vooreerst niet worden verwacht. Het beetje wol, dat ons land zelf voort kan brengen, komt van den schapenstal boven de rivieren, en is van geen beteekenis. De wolindustrie heeft in de laatste jaren dan ook met surrogaten gewerkt. Van de landen, waaruit we cellulose zouden kunnen betrekken voor de fabricage van kunstzijde (Zweden, Finland, Canada), is in den eersten tijd eveneens geen aanvoer te verwachten. Resumeerende zijn dus de eenige bronnen, waaruit we vooreerst moeten putten, de genoemde kleine voorraden kunstzijde en onze ruime vlaspositie. Het is verder onwaarschijnlijk, dat in een eenmaal bevrijd noorden straks nog noemenswaardige voorraden bij de fabrieken zullen worden aangetroffen.
Hoe staat het nu met de verwerkingsmogelijkheden?
Een aantal weverijen en breierijen in het bevrijde gebied is op beperkte
p.46
capaciteit begonnen, de weinige kunstzijden garens díe ze zelf hadden te verwerken; men hoopt de productie nog eenige maanden te kunnen voortzetten met garens uit de kleine spinnerij-vooraden en met de garens welke nog in de kunstzijspinnerijen uit aanwezige grondstoffen kunnen worden vervaardigd. Hoofdzakelijk wordt door de breierijen ondergoed geproduceerd, terwijl de weverijen op kleine schaal geweven stoffen produceeren. Voor deze artikelen kan kunstzijde namelijk het meest doelmatig worden besteed. Kunstzijde kousen zullen slechts in zeer beperkt aantal gemaakt kunnen worden, daar de groote kousenfabriek in het Zuiden zwaar beschadigd is en nog niet kan draaien.
We moeten ons derhalve vastgrijpen aan den vlashalm, die in dit geval heel wat meer waard is dan de spreekwoordelijke stroohalm. Om onze voorraden ruw vlas van den vorigen oogst tot vlasdraad te verwerken, zijn tientallen fabrieken noodig. De moeilijkheid is echter, dat we in ons land slechts over één vlasspinnerij van beteekenis beschikken, namelijk in Tilburg. Voor den oorlog zonden wij onzen vlasoogst naar de verwerkende bedrijven in België, Engeland en Frankrijk. Het lag dus voor de hand, om met het dichtst bijzijnde dezer landen, België, opnieuw onderhandelingen aan te knoopen. Het resultaat dezer actie was een overeenkomst, volgens welke wij 440 ton linnen garens van België zullen betrekken, waartegenover Belgie een groote partij ruw vlas geleverd krijgt. Deze goederenruil vindt thans reeds plaats.
Onze linnenweverijen liggen hoofdzakelijk in het zuiclelijk deel van ons land. Op een deel van hun vermogen verwerken zij de garenproductie van de spinnerij in Tilburg, en het geleidelijk binnenkomende quantum garens uit België. Het gebrek aan voldoende personeel en krachtstroom is echter van zoo grooten invloed, dat de helft van deze industrie nog stil ligt. Toch neemt de productie langzamerhand toe. Op voorschrift van het Rijksbureau voor Textiel worden thans in de eerste plaats luiers, en verder op beperkte schaal beddelakens gemaakt. Vooral de productie van noodzakelijke baby-artikelen wordt met het oog op de spes patriae dus niet vergeten.
Verschillende kunstzijden of linnen artikelen dienen de slotbewerking van het verven te ondergaan. Hier schuilt echter de moeilijkheid, dat vooral de groote ververijen, die veel kolen verbruiken, wegens gebrek aan dit zwarte goud niet, of slechts op zeer bescheiden schaal kunnen werken. Gelukkig begint de kolenpositie, zooals gezegd, te verbeteren, doch ook hier geldt het spreekwoord: "Vele varkens maken de spoeling dun".
Aan de fabricage van confectie-kleeding tenslotte, kan voorloopig zeer weinig worden gedaan. Zelfs als we zoo geluklig zouden zijn over voldoende grondstoffen te beschikken, zouden we nog weinig kunnen aanvangen, om de eenvoudige reden, dat onze confectie-industrie voor het grootste deel boven de rivieren ligt. Het is wel bedroevend, dat een land, dat vóór den oorlog zich zelf bijna geheel in textiel-eindproducten kon voorzien, door de omstandigheden thans op een dergelijke wijze is gehandicapt.
Tegenover de genoemde beperkte productiemogelijkheden staat een behoefte aan textielgoederen in ons land, die in geen jaren te bevredigen is. Drie tot vier jaar lang konden de meeste gezinnen hun linnen- en kleerkast slechts zoo nu en dan en dikwijls slechts met surrogaat-artikelen aanvullen.
De bevrijding door het wapengeweld en onnoodige brandstichterij van den vijand beroofden daarna velen van have en goed. Duizenden en duizenden oorlogsslachtoffers, meest met slechts enkele geleende spullen aan het lichaam, moesten worden geholpen. De distributie-autoriteiten deden wat zij konden; de geallieerde legers deelden nieuwe en gedragen kleeding uit in zwaar getroffen plaatsen; zeer veel naastenliefde werd getoond door hen, die meer geluk hadden dan anderen. Desondanks kon natuurlijk onmogelijk in alle behoeften worden voorzien: er zijn tè veel getroffenen. Alle aanwezige textiel wordt dan ook
p.47
gereserveerd voor deze menschen, alles wat de fabrieken voortbrengen eveneens. Men hoopt te zijner tijd in staat te zijn ook voor den te verwachten nood in de noordelijke provincies een deel der productie ter zijde te leggen.
Zoo moeten de gezinnen, aan wie de oorlog nog een redelijk bezit overliet, na jaren verstellen en van oud, nieuw maken, dit offer nog eenigen tijd brengen. Er is geen andere keus. Zij kunnen er echter van verzekerd zijn, dat er niets wordt nagelaten, om zoo spoedig mogelijk verbetering in dezen toestand te brengen.
Onze Regeering te Londen, die zooals bekend groote voorraden levensmiddelen heeft aangekocht, heeft ook op textielgebied zooveel mogelijk aangeschaft. Zij moest zich in dit opzicht evenwel voornamelijk beperken tot het koopen van grondstoffen, dit in verband met den toestand op de wereldtextielmarkt. In de geheele wereld heerscht namelijk een groot tekort aan textiel-artikelen. Er is net zoo zeer een gebrek aan grondstoffen, dan wel aan eindproducten, daar bijna de geheele teitielindustrie werkt voor de groote leger-behoeften. De scherpe textiel-distributie voor de burgerbevolking in Engeland is hiervan een sprekend voorbeeld.
Als er te zijner tijd scheepsruimte voor het vervoer van textielgrondstoffen beschikbaar komt, zal inze industrie handen vol werk hebben; onvermijdelijk zal het dan nog even duren, alvorens de consument de artikelen kan koopen. Het spreekt evenwel vanzelf, dat de autoriteiten alles in het werk stellen om in het buitenland alle gefabriceerde textiel-artikelen te koopen, die daar op eenige wijze kunnen worden verkregen. Het medeleven, dat in het huitenland bestaat met ons zwaar getroffen land, zal dit streven ongetwijfeld in de hand werken
. Ten aanzien van onze eigen productie staat één ding vast: er wordt geen ersatz-rommel meer gemaakt. De tijd, dat men slechte waar kocht tegen dure prijzen, is voorbij. Het Rijksbureau voor Textiel-schrijft den fabrikanten voor, wat zij van de beschikbare grondstoffen mogen maken. Deze maatregel garandeert zoowel de doelmatigheid, als de goede kwaliteit van de te vervaardigen textielproducten.
******************* 16. ECONOMISCHE SAMENWERKING TUSSCHEN BELGIË EN NEDERLAND
Radiorede gehouden door Prof. Dr. H. A. Kaag voor Herrijzend Nederland op 5 December 1944.
Tusschen de Nederlandsche regeering te Londen en de Belgische regeering zijn er een tweetal overeenkomssten afgesloten, welker beteekenis verre uitgaat boven die van gelegenheidsaccoorden. De eerste houdt in een financieele regeling, welke het monetaire regiem in beide landen nauw aan elkaar verbindt. De tweede legt den grondslag voor de z.g. tol-unie.
De gedachte van een tol-unie tusschen beide landen is niet nieuw.
Nadat Belgie en Nederland na 1830 ieder hun eigen weg waren gegaan, kwam een halve eeuw later telkens weer de gedachte naar voren de economische relaties te versterken. Wrj herinneren hier slechts aan het initiatief tot een
p.48
tol-unie van het Belgische kabinet Fraere-Orban van het jaar 1878, en aan de Belgisch-Nederlandsche commissie van 1906, waarin van "Nederlandsche zijde o.a. Theo Heemskerk zitting had en van de Belgische zijde August Bernard. Verder aan het initiatief van de Nederlandsche Kamer van- Koophandel te Brussel, die een enquète instelde, waarbij 87% van de antwoorden zich voor een tol-unie uitspraken, 6% contra en 7% blanco.
Toch bleven al deze pogingen zonder resultaat. Men voelde weliswaar het groote belang van een nauwe economische samenwerking door middel van een tol-unie. Men was echter niet in staat over tal van practische bezwaren heen te stappen. Thans echter hebben de Belgische en Nederlandsche regeering de knoop doorgehakt en zijn tot een zeer vergaand accoord gekomen. De tol-unie, die in het leven zal worden geroepen, omvat een markt met een hoog ontwikkelde bevolking van bijna 18 millioen menschen en vertegenwoordigt, wat buitenlandschen handel betreft, 5.5% van den wereldhandel. Het cijfer, dat slechts iets ligt onder dat van Frankrijk (6.6%).
Voor beide landen beteekent dit accoord, dat de vrije markt, waarin goederen kunnen worden geplaatst, ongeveer wordt verdubbeld. Dat een dergelijke mate van samenwerken thans mogelijk is geworden, vindt in de eerste plaats wel zijn reden in het feit, dat België en Nederland door de omstandigheden politiek nauwer naar elkaar toe zijn gegroeid, in de tweede plaats echter ook door de omstandigheid, dat de economische structuur van beide landen in toenemende mate gelijke aspecten is gaan vertoonen.
Men motiveert een tol-unie soms, met te wijzen op de verschillende economische strrctuur, waardoor de samenwerkende landen elkaar onderling zouden kunnen aanvullen. In die gedachtengang zou een samenwerking tusschen een agrarisch Noord-Nederland en een industrieel België als een ideaal kunnen worden beschouwd. In feite ligt de zaak echter geheel anders. Verschil in economische structuur brengt met zich mede verschil in economische politiek en vormt daardoor een ernstig beletsel voor een tol-unie, indien deze althans in vrijheid wordt aangegaan.
Nederland is echter niet meer een zuiver agrarisch land en heeft in toenemende mate een sterke industrie tot ontplooiing gebracht. Anderzijds is België geen zuiver industrieland. De landbouw en wel in het bijzonder de tuinbouw is sterk tot ontwikkeling gekomen. Daarnaast zijn beide landen typisch op het internationale verkeer ingesteld. Ze hebben beide groote havenbelangen. Men denke slechts aan Antwerpen en Rotterdam. Er is dan ook geen sprake van, dat een Belgisch Luxemburgsch-Nederlandsch tolgebied zich zelf zou kunnen bedruipen.
Een politiek van autarkie is dan ook uitgesloten. De samenwerking tusschen België, Luxemburg en Nederland anderzijds is dan ook veeleer een samenwerking tusschen partners van ongeveer gelijke kracht en van een met gelijke belangen en gelijke visie. Zoowel Nederland als België blijven op den invoer van tal van artikelen met name grondstoffen en ook granen op het buitenland aangewezen. Beide landen kunnen reeds daardoor niet leven zonder export. De capaciteit van verschillende hunner bedrijfstakken overtreft bovendien de behoeften van het tolgebied, terwijl de belangen van de sterk ontwikkelde handel en scheepvaart in beide landen dringen naar internationale relaties over de geheele wereld. De Belgisch-Nederlandsche tol-unie schept dus eenerzijds vrijhandel, tusschen de beide landen zal echter daarnaast een sterke stimulans kunnen en moeten zijn voor betere en nauwere economische relaties met andere landen. Aan alle plannen voor een ruimer internationaal verkeer zal de combinatie België-Luxemburg- Nederland zonder twijfel alle medewerking verleenen. Niet afsluiting van internationaal verkeer, doch inschakeling op op een zoo sterk mogelijke basis is de geest van deze tol-unie.
De conseguenties van een dergelijke tol-unie zijn zeer vergaand. Bij het
p.49
wegvallen van de tolgrens tusschen beide landen is het noodzakelijk, dat tegenover andere landen eenzelfde tarief van invoerrechten wordt ingevoerd. Tol-unie brengt dus met zich mee eenheid van invoerrechten voor de samenwerkende landen.
De samenwerking strekt zich echter nog verder uit. In de moderne handelspolitiek was het invoerrecht lang niet meer het eenige middel tot beïnvloeding van den buitenlandschen handel. Invoerrechten waren na 1930 zelfs niet de meest ernstige belemmering van den internationalen handel. Veel ingrijpender waren met name de contingenteeringen. In de overeenkomst tusschen Nederland en België is dan ook voorzien in een eenheid van politiek met betrekking tot allerlei vormen van handelspolitiek-ingrijpen als: contingenteeringen van den invoer en van den uitvoer, doorvoerregelingen, licenties enz.
Verder is vastgesteld, dat subsidies aan bepaalde takken van bedrijf slechts na onderlinge overeenstemming kunnen worden verleend. De handelspolitieke onderhandelingen met het buitenland over de afsluiting van handelsverdragen zullen gemeenschappelijk worden gevoerd. Zoo brengt dus dit tol-unie verdrag tusschen Nederland eenerzijds en België en Luxemburg anderzijds met zich mede, dat de geheele handelspolitiek gemeenschappelijk zal worden gevoerd. Wanneer men daarnaast bedenkt, dat het monetair accoord eenheid in monetaire politiek noodzakelijk maakt, dan kan men zeggen, dat door deze beide overeenkomsten de geheele economische politiek op een gemeenschappelijke basis wordt gebracht en door dezelfde richtlijnen zal moeten worden bepaald.
Het spreekt vanzelf, dat dit slechts mogelijk is, indien de algemeene politieke relaties tusschen beide gebieden zeer nauw zijn en indien beide volken gedragen en gestuurd worden door dezelfde doeleinden, zoo is de algemeen politieke beteekenis van deze accoorden misschien nog grooter dan de eigenlijke economische. Zij beteekenen de vorming van een politiek economisch blok in West-Europa dat in samenwerking met andere landen van groote beteekenis kan worden, niet alleen voor de economische reconstructie van Europa, maar ook voor een politieke stabiliteit van dit continent.
Zoowel de financieele overeenkomst als die betreffende een tol-unie treden in werking zoodra zoowel de Belgische als de Nederlandsche regeering op eigen nationaal grondgebied zullen zijn gevestigd. Moge met de bevrijding van het Noorden van ons land dit tijdstip spoedig aanbreken.
******************* 17. ZES MAANDEN HERSTELARBEID IN BEVRIJD NEDERLAND
Uit "Commentaar" van 15 Maart 1945.
Zes maanden zijn verstreken, sinds een begin kon worden gemaakt met den wederopbouw van b evrijd Nederland. Zes maanden, een korte spanne tijds, doch waarin zooveel problemen aan den Nederlandschen hemel zijn verschenen, dat zij de vermoedens van den grootsten zwartkijker hebben beschaamd. Welke deze moeilijkheden en problemen zijn geweest, is een vraag, welks beantwoording buiten het kader van dit artikel valt. Dit halfjaarlijksch overzicht beoogt slechts een korte samenvatting te geven van hetgeen sinds September 1944 op velerlei gebied werd bereikt.
p.50
Concrete resultaten dus, sober weergegeven zonder een blik te werpen op den noesten arheid,waarvan zij dikwijls de bekroning zijn geweest. Indien een zoodanig verslag er toe mocht bijdragen mogelijke misverstanden uit den weg te ruimen en het geloof in den wederopbouw van ons vaderland te versterken, dan zal het beantwoorden aan de oogmerken, waarmede het in het licht werd gegeven.
HERSTEL VAN HET ECONOMISCHE LEVEN:
- de voedselvoorziening:
De voedselvoorziening van het bevrijde Nederlandsche gebied heeft misschien wel de meeste zorgen gebaard van alle problemen, waarvoor de autoriteiten zich van stond af aan geplaatst zagen. Een groot gedeelte van het vee, boerderijen met voorraden levensmiddelen, waren aan den oorlog ten slachtoffer gevallen. Het levensmiddelenvervoer van de productie- naar de verbruikscentra stuitte op duizend en een moeilijkheden, die niet alleen met het tooverwoord "organisatie" konden worden opgelost. Men denke in dit verband aan het stilgelegde treinverkeer, de vernielingen aan bruggen en sluizen, het onklaar maken van in havens liggende schepen door den bezetter enz. Een en ander had tot gevolg, dat de rantsoenen uit den bezettingstijd de eerste twee maanden niet konden worden gehandhaafd. Begin November trad echter reeds een kentering ten goede in, toen de verstrekte rantsoenen, in calorieën uitgedrukt, wederom 80% van de in het laatste half jaar bezetting toegewezen rantsoenen uitmaakten. In Januari werd de calorieënwaarde van de in het eerste half jaar van 1944 verstrekte rantsoenen voor het eerst overschreden en wel met 8%, welke stijging in Februari 1945 opliep tot 15%. Deze cijfers zijn als gemiddelden genomen, daar verbindingsmoeilijkheden aanvankelijk oorzaak zijn geweest, dat de calorieënwaarde der verstrekte rantsoenen niet in alle deelen van het bevrijde gebied gelijk was. Dit geldt met name voor Zuid-Limburg, dat geruimen tijd van het overige bevrijde gebied was afgesneden en alleen over Belgisch grondgebied kon worden bevoorraad. De Limburgsche aardappelvoorziening was o.a. afhankelijk van den aanvoer uit Zeeuwsch-Vlaanderen, die over het Belgisch spoorwegennet moest plaats vinden.
Vervoersmoeilijkheden zijn steeds de spelbreker geweest in het streven der autoriteiten om de voedselvoorziening zoo snel mogelijk op te voeren. Op hetgeen op dit gebied werd bereikt, komen wij nog nader terug. Er zij hier echter reeds vermeld, dat de vervoerscapaciteit, die einde Nobember 1944 nog slechts ruim 1500 ton per week bedroeg, in December en Januari daarop volgend reeds met gemiddeld het vijf- resp. het twaalfvoudige was overschreden. In dit verband mag ook niet onvermeld blijven, dat de geallieerden in de frontzone talrijke noodrantsoenen hebben verstrekt en in toenemende mate voedsel en laadruimte ter beschikking hebben gesteld. De normen voor den geallieerden voedselaanvoer werden door de samenwerkende Nederlandsche autoriteiten opgesteld op basis van de behoefte, verminderd met de eigen productie. Het Militair Gezag diende dan de aanvragen in, waaraan, door de geallieerde legers zooveel mogelijk werd voldaan.
- De industrieele bedrijvigheid:
Het weer op gang brengen der industrie werd hoofdzakelijk gericht op het in bedrijf stellen van ondernemingen, die over weinig of niet beschadigde installaties en over voldoende grond- en hulpstoffen beschikten, terwijl rekening werd gehouden met de oogenblikkelijke belangrijkheid van het voortgebrachte product. Verschillende levensmiddelenbedrijven zijn practisch met volle personeelsbezetting en op hoog productie-peil aan den slag. Verschillende andere takken van industrie vertoonen echter een veel minder gunstig beeld.
p.51
Van de schoenindustrie werken 45 bedrijven met een bezetting van 25 of meer arbeiders, doch het gemiddelde productie-peil bedraagt slechts 25 tot 30% van het niveau in 1939. De schoenfourniturenindustrie wordt ernstig gehandicapt door het gebrek aan grondstoffen. Zes bedrijfjes werken op 30% van hun capaciteit aan de vervaardiging van bovenwerk. Hetzelfde beeld vertoont de lederindustrie, waarvan 21 ondernemingen in bedrijf zijn op basis van 5% van hun vermogen. Houtproducten worden in vrij veel kleine bedrijven vervaardigd op een niveau, dat varieert tusschen 25 et 50% van hun capaciteit. De tabakverwerkende industrie, welke aan een ernstig grondstoffengebrek lijdt, heeft de beschikking gekregen over 130 ton tabak, die in een twintigtal bedrijven wordt verwerkt. Het voortbrengingspeil is echter niet hooger dan 6% van dat van 1939.
Gezien de moeilijke positie, waarin de nijverheid in het algemeen verkeert, werden door het Militair Gezag maatregelen genomen om financieelen steun te verleenen aan die bedrijven, waarvan de productie uit sociaal of militair oogpunt_van belang kon worden geacht en die door de oorlogsomstandigheden in geldelijke moeilijkheden waren geraakt. Daarnaast werd bij de verordening van 22 Januari 1945 van den Chef Staf Militair Gezag de algemeene heropening toegestaan van bedrijven, die tijdens de bezetting hun poorten hadden moeten sluiten.
In het kader der industrieele bedrijvigheid mogen niet onvermeld blijven de pogingen, die zijn aangewend, om de steenkoolproductie in zoo kort mogelijken tijd op te voeren. Hiervan immers was het op gang brengen der industrie, de stroom- en krachtvoorziening in belangrijke mate alhankelijk. Talrijke invloeden hebben aanvankelijk het bereiken van een bevredigend productiepeil belemmerd. Men denke in dit verband aan de zuivering in de mijnen van N.S.B.ers, collaborateurs, Duitschers, aan de vervoersmoeilijkheden van, forensarbeiders, waardoor de personeelsterkte der mijnen een vermindering onderging van 30%. Daarnaast deden verschillende politieke spanningen en de ontoereikende voedselvoorziening veel afbreuk aan het voortbrengingsvermogen van den mijnwerker. De slag in de Ardennen verbrak nog de verbindingen met Luxemburg, waaruit een belangrijk gedeelte van het benoodigde mijnhout werd aangevoerd.
In October 1944 bedroeg de steenkoolproductie slechts 8000 ton per dag. Sindsdien heeft zij zich echter gunstiger ontwikkeld. Zij vertoonde-een geregelde toename tot 11.000 ton per dag in November, tot 12.000 ton per dag in December, tot 12.400 ton per dag in Januari en tot 12.600 ton per dag in Februari 1945. Gedurende de laatste maanden der bezetting bedroeg het productiepeil 18.000 ton per dag.
- Organisaties, belast met de zorg voor de volkshuishouding.
Als bijzondere organisatie, tijdelijk belast met de zorg voor de volkshuishouding werd door den Chef Staf Militair Gezag het College van Algemeene Commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid te Tilhurg opgericht. Aan een van hen, den Algemeenen Commissaris voor de Voedselvoorziening en Directeur-Generaal van den landbouw, werd de leiding toevertrouwd over de organen voor Landbouwherstel, Akkerbouw, Zuivel, het Centraal Aankoop- en Verkoopbureau voor de Voedselvoorziening en den vernieuwden Centralen Controle Dienst. Het College van Algemeene Commissarissen richtte verder te Brussel een Warenbureau "Belgie-Luxemburg-Nederland op voor den handel met België, terwijl een soortgelijk bureau te Parijs werd gevestigd voor den handel met Frankrijk. Onder de overkoepeling van bovengenoemd College bevinden zich tevens het distributieapparaat en de door dit College in het leven geroepen tijdelijke Rijksbureaux, o.a. voor textiel en papier. In December 1944 werd voor het geheele bevrijde gebied een uniform distributiesysteem ingevoerd.
p.52
- Prijspolitiek.
Om het bestaande prijspeil te handhaven werd 4 september 1944 een prijs- en loonstop ingevoerd. Een opsporingsdienst onder leiding van den Inspecteur der Prijzen en het instituut van Tuchtrechters voor de Prijzen werden de lichamen, waarmede de zwarte handel kon worden bestreden. Onder het beheer van het College van Algemeene Commissarissen werd het gestichte Prijs-egalisatiefonds geplaatst, dat tot taak heeft eventueele prijsverschillen tusschen de ingevoerde en de in Nederland geproduceerde goederen te vereffenen. Dit fonds kan dus agrarische- of industriele bedrijven in Nederland helpen in gevallen, dat een te hooge kostprijs ten opzichte van de officieel toegestane verkoopprijzen rendabel werken onmogelijk maakt.
- Transport.
Vrijwel op geen terrein was de toestand na de bevrijding zoo verward als die op het gebied van het vervoerwezen. De organen, belast met het vervoerwezen, waren vrijwel intact, doch het toporgaan, het Departement van Waterstaat, ontbrak. Inplaats hiervan werd opgericht het Centraal Transportbureau met drie afdeelingen: spoorwegen, wegverkeer en binnenscheepvaart. Het C.T.B. is belast met de leiding en de algemeene organisatie van deze verkeerstakken, terwijl het een co-ordineerende functie uitoefent bij de uitvoering van alle vervoersopdrachten.
Het spoorwegwezen vormt een sterk centraal geleid lichaam, dat opmerkelijke resultaten heeft mogen boeken. Locomotieven en wagons, zij het in beperkte mate, kwamen weer beschikbaar, terwijl een grootgedeelte van het vernielde spoorwegnet werd hersteld. Het herstel van viaducten en bruggen is zoo snel gevorderd, dat vrijwel alle hoofdlijnen weer in gebruik konden worden genomen.
De binnenscheepvaart werd niet alleen zwaar getroffen door de vernieling van tal van schepen, doch eveneens door de verwoesting van bruggen en sluizen. Met alle middelen hebben ook de Geallieerden meegewerkt om de kanalen weer bevaarbaar te maken. Stuwen werden weer opgericht, sommige sluizen hersteld, militaire noodbruggen, die te laag op het water lagen, werden verhoogd, schepen werden hersteld. Van de 1500 binnenvaartuigen, die in bevrijd gebied werden aangetroffen, was ongeveer de helft beschadigd of gezonken. Deze zijn nu grootendeels hersteld of gelicht, zoodat het totaal aantal schepen, dat als verloren moet worden beschouwd, slechts enkele tientallen bedraagt.
Het wegverkeer stonden op het oogenblik der bevrijding ruim 2000 wagens ter beschikking tegen ongeveer 12.000 in 1939. De toestand van het ter teschikking staande materieel liet daarenboven dikwijls veel te wenschen over. Van de Geallieerden werden ondertusschen eenige honderdtallen auto's ontvangen van de 2500, die zijn toegezegd, terwijl enkele Nederlandsche Motortransport Compagnieën elk beschikkende over 120 auto's, werden opgericht en de Geallieerden een militaire colonne voor het voedseltransport beschikbaar stelden. Een verordening werd onlangs afgekondigd, waarbij de meldingsplicht van alle motorrijtuigen werd gelast.
- Gas-, water- en electriciteitsvoorziening.
De watervoorziening heeft geen storingen van betekenis ondervonden. Geheel anders was het echter met de electriciteitsvoorziening, die veel zorgen heeft gebaard. Centrales, hoogspanningslijnen, transformatoren, schakelstations, kabels moesten worden hersteld. Het Geallieerde leger en de electriciteitsmaatschappijen hebben echter onverpoosd doorgewerkt, zoodat momenteel 90% van de vroegere stroomverbruikers in Noord-Brabant weer van electriciteit is
p.53
voorzien, al zij het dan ook bij zeer strenge rantsoeneering. Wat dit beteekent, kan men afmeten naar het feit, dat bij den aftocht der Duitschers, het ringnet, waardoor de centrales onderling zijn verbonden, op 1200 plaatsen vernield was en dat van het totale vermogen der Brabantsche electriciteitscentrales ad 163.000 kilowatt nog slechts 2000 kW. over waren. Op het oogenblik zijn 36 centrales in bedrijf met een gezamenlijke capaciteit van 7000 kilowatt.
In Limburg is de toestand nog zeker zoo gunstig, omdat de centrales der Staatsmijnen in den kortst mogelijken tijd met ingenieuze noodoplossingen gerepareerd en grootendeels weer in bedrijf gesteld konden worden.
Wat de gasvoorziening betreft, werden alle gemeenten, die vroeger gas verbruikten, van gas voorzien, zij het dan ook op gerantsoeneerde basis. De gasleiding van de Staatsmijnen naar 's-Hertogenbosch werd hersteld en in gebruik genomen.
FINANCIËN:
Het belangrijkste resultaat op financieel gebied is geweest het onder centraal beheer stellen der overheidsfinanciën. De financiering der gemeenten werd geregeld evenals de voortzetting van de uitbetaling dór Rijkspensioenen en salarissen, sociale verzekeringen enz.
Alhoewel de Dienst der Staatsleeningen tijdelijk buiten werking is gesteld, werd de couponbetaling hervat. Een belangrijke maatregel was daarnaast het openstellen door de autoriteiten van de uitgifte van schatkistpromessen op groote schaal. Ten aanzien van de geldcirculatie in het bevrijde gebied werd in zoovere opgetreden, dat men de banken aanmoedigde en steunde in het herstellen van een onderling giro-verkeer. Aanleiding tot dit optreden was o.a. het geldtekort, waartegenover verschillende gemeenten zich kort na de bevrijding geplaatst zagen; een tekort, dat moest worden aangevuld uit een teveel aan kasmiddelen van andere gemeenten.
Verder werd niet-vijandelijk vreemd geld geregistreerd, werd het noodzakelijkerwijze beperkte betalingsverkeer met Be1gië gecontroleerd en werd de aanvoer van levensmiddelen en andere goederen door de Geallieerden, waarvan de betaling eerst achteraf wordt geregeld, geadministreerd. Voor het Verzekeringswezen werden een Commissie voor het Schadeverzekeringswezen en een Commissie voor het Levensverzekeringswezen in het leven geroepen. Speciale voorzieningen werden getroffen voor de verzekering van schepen en transport.
JUSTITIE, POLITIE EN ZUIVERING:
Op justitieel gebied valt de installatie te vermelden van de Tribunalen te 's-Hertogenbosch en Breda. Waar de Raad van State nog in het bezette gebied verblijft, werd, nadat een wijziging in het Tribunaalbesluit de bevoegdheid daartoe had verschaft, de President van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch aangewezen tot het verleenen van het fiat executie op de uitspraken der Tribunalen.
Het gecompliceerde karakter der problemen, voortvloeiende uit de Koninklijke Besluiten "Herstel Rechtsverkeer" en "Vijandelijk Vermogen" waren aanleiding tot het instellen van een afzonderlijk Militair Commissariaat voor het Rechtsherstel: De bemoeiingen van dit Commissariaat strekken zich over het geheele bevrijde gebied uit, doch bepalen zich tot de werkzaamheden, die krachtens de genoemde Besluiten door het Militair Gezag kunnen worden verricht. Het wordt geleid door een drietal juridische hoogleeiaren, die allen tot Militair Commissaris werden benoemd.
Het Commissariaat heeft de aangifte gelast van vijandelijk vermogen, terwijl het bereids de gelegenheid heeft opengesteld, verzoekschriften tot rechtsherstel in te dienen.
p.54
Ten aanzien van de organisatie van de politie werd het z.g. "Poolingstelsel" toegepast, hetgeen een gecentraliseerd gebruik van alle krachten mogelijk maakt. Deze "pooling" werd bereikt door bij de "Verordening Organisatie Politie" ieder politie-man tijdelijk tot lid te verklaren eener algemeene politie, die overeenkomstig de Nederlandsche traditie weer onder de bevelen der Procureurs-Generaal werd geplaatst. Tevens werd bij de verordening zelf aan alle politie-ambtenaren een aanstelling verleend als onbezoldigd rijksveldwachter, voor zoover zij deze nog niet bezaten. Door bovengenoemde maatregelen werd verkregen, dat ook de detachementen der gemeentelijke politiekorpsen te allen tijde naar elk punt des lands zouden kunnen worden gedirigeerd, terwijl de leden dier korpsen bij hun opsporingshandelingen niet meer gebonden zijn aan het grondgebied hunner gemeente.
Wat de zuivering betreft, werd de inbewaringstelling van landverraders en collaborateurs definitief geregeld. Met de aanwijzing van hen, die geïnterneerd moeten worden, is thans belast de z.g. Centrale Opsporingsraad, waarvan de leden ten getale van vijf door het Militair Gezag worden genoemd.
Alle processen-verbaal van inbewaringstelling worden aan den Staf Militair Gezag toegezonden. Op 1 Maart j.l. waren ongeveer 8200 gevallen van inbewaringstelling in de administratie opgenomen, terwijl ongeveer 2100 ambtenaren waren gezuiverd. In het geheele bevrijde gebied werden in totaal 168 burgemeesters gezuiverd.
REPATRIEERING EN EVACUATIE:
De werkzaamheden van Militair Gezag op het terrein van repatrieering en evacuatie zijn vele geweest. Met de repatrieering werd practisch eerst in Januari 1945 een begin gemaakt. Einde Februari waren een kleine duizend Nederlanders en vrijwel een gelijk aantal vreemdelingen gerepatrieerd. Voor de medische verzorging van de geëvacueerden zoowel als van de gerepatrieerden werden z.g. "pools" van medici en verpleegsters gevormd, waarvan er nu een twintigtal in functie zijn.
De werkzaamheden van Militair Gezag op het terrein der evacuatie vingen vrijwel onmiddellijk na de bevrijding aan. Tienduizenden Nederlanders moesten uit de gevechtszones worden geëvacueerd. Te Eindhoven werd ten behoeve hiervan een tijdelijk Centraal Bureau Afvoer Burgerbevolking opgericht, welk bureau onmiddellijk alle maatregelen nam om in den eersten nood te voorzien. Einde December kwamen de eerste Nederlandsche evacuees in België aan, waarvan het aantal nu is opgeloopen tot ruim 10.000. Daarnaast herbergt ook bevrijd Nederland nog ongeveer 10.000 evacuees. De regeling van de uitbetaling van evacuatiegelden kreeg eveneens haar beslag. Tenslotte werd gereed gekomen met de inventariseering der opnamecapaciteiten van de verschillende gemeenten, zoodat men nu een volledig overzicht heeft, waar eventueel nog groepen geëvacueerden kunnen worden ondergebracht.
VOLKSGEZONDHEID:
Het werk van Militair Gezag op het gebied der volksgezondheid betrof zoowel rechtstreeksche hulp aan gewonden in de frontzone als het opnieuw organiseeren van de medische diensten in het achterland, het toezicht houden op den gezondheidstoestand in evacuatie- en repatrieeringskampen, hulpverleening aan ziekenhuizen, voorkoming van ziekte door preventieve controle en geneeskundige verzorging van het vee. Noodziekenhuizen voor de medische hulp in de frontzone werden opgericht, die door de "Commissie voor de Noodziekenhuizen" werden beheerd.
Na inwinning van het advies van het tijdelijk Rijksbureau voor Genees- en Verbandmiddelen worden bij de Geallieerden aanvragen ingediend voor het
p.55
verkrijgen van de noodzakelijkste geneesmiddelen. Ook in België en Frankrijk werden geneesmiddelen aangekocht. Ingevoerd werden tot nu toe o.a.: groote hoeveelheden sera en vaccins, spuiten, naalden, veterinaire geneesmiddelen, 40 millioen eenheden penicilline, chemische stoffen voor de geneesmiddelenindustrie, geneesmiddelen tegen geslachtsziekten, desinfectantia, verbandmiddelen, röntgenfilms enz. Een speciale inkoopcommissie werd gevormd om in de Vereenigde Staten verdere aankoopen te doen.
P.T.T.
Door het Militair Gezag werd een tijdelijk Hoofdbestuur P.T.T. ingesteld, terwijl een plaatsvervangend Directeur-Generaal voor deze diensten werd aangewezen, die tevens is belast met de zuivering van het P.T.T.-personeel, met uitzondering van de inspecteurs der P.T.T. en de hoofden van Telefoondistricten.
Het postverkeer voor het geheele bevrijde gebied werd hersteld voor alle dienststukken, evenals het onderlinge bankpostverkeer, in dit laatste geval Zuid-Limburg echter uitgezonderd. Roode Kruisberichten konden in het binnenlandsch verkeer worden verzonden tusschen evacuees en vluchtelingen en hun verwanten, in het buitenlandsch verkeer met geallieerde, vijandelijke, neutrale en door den vijand bezette landen. Het militair postverkeer tusschen burgers in het bevrijde gebied en de geallieerde militairen in Noord-West Europa werd opengesteld, terwijl postverkeer met krijgsgevangenen mogelijk werd door middel van bijzondere formulieren. Wat het burgerlijk postverkeer betreft, dit werd geleidelijk aan opengesteld voor het interlocale verkeer, zij het met eenige beperkingen, en omvat het grootste gedeelte van het bevrijde gebied. Sinds 5 December 1944 kunnen vanuit alle plaatsen in het bezette gebied, waarin het interlocale postverkeer is opengesteld, briefkaarten worden verzonden naar de Vereenigde Staten van Amerika, Groot-Brittannië, Frankrijk, België en de Nederlandsche koloniën (voor zoover niet door den vijand bezet) en omgekeerd.
Inzake het geldverkeer kan thans in het geheele bevrijde gebied, een klein gedeelte van Zuid-Oost Limburg uitgezonderd, wederom gebruik worden gemaakt van den postwissel- en den quitantie-dienst. Tevens kwam een regeling tot stand voor de uitbetaling door de postkantoren van de pensioenen, wachtgelden en Rijkssalarissen. Ook de Rijkspostspaarbank opende weer haar loketten. Het telegraafverkeer is thans weer opengesteld voor regeeringstelegrammen en perstelegrammen, bestemd voor Groot-Brittannië en de Vereenigde Staten van Amerika, terwijl een begin werd gemaakt met het openstellen van het interlocale telefoonverkeer voor dienstgesprekken, dat nu tusschen een vijftiental netten in bevrijd gebied kan worden onderhouden.
ARBEIDSZAKEN:
De eerste zorg der autoriteiten was om in het bevrijde gebied de uitbetaling op grond van sociale verzekeringen, die niet meer door de verzekeringsbanken in het nog bezette Noorden konden plaats vinden, normaal te doen voortzetten. In verband met de oorlogsomstandigheden was het verder noodig een uitkeering te verzekeren bij een categorie ongevallen, waarin vroeger niet door de ongevallenwet was voorzien.
Het gedwongen stilleggen van vele bedrijven leidde tot een wachtgeldregeling voor het personeel, waarbij het Rijk een belangrijk gedeelte van de kosten voor zijn rekening nam. Door de wachtgeldregeling werd de band tusschen den tijdelijk werklooze en zijn bedrijf intact gehouden; de figuur van den anoniemen steuntrekker verdwijnt daardoor van het tooneel.
Een tweezijdig ontslagverbod en een loonstop werden afgekondigd. Ten opzichte van dit laatste werd later bepaald, dat een algemeene correctie op de loonen was toegestaan tot maximum 25% boven het peil van 10 Mei 1940.
p.56
Ook in de loonbasis bij den Dienst voor Uitvoering van Werken kwam in zooverre verandering, dat het loonpeil niet meer is gebaseerd op het criterium "inproductief werk", doch op de loonen, die bij een particulieren werkgever voor hetzelfde werk worden berekend.
De gewestelijke arbeidsbureaux en hun bijkantoren, die wederom in dienst zijn gesteld van den vaderlandschen wederopbouw, werden belast met de registratie van werknemers, om het even of zij al dan niet een functie vervullen.
De spanningen in het mijnbedrijf met alle gevolgen, daaraan verbonden, deden het Militair Gezag in de eerste helft van Februari 1945 besluiten tot een krachtig ingrijpen. Opgericht werd een Adviescommissie, Adco genoemd, als toporgaan der mijnbedrijven, waarin twee vertegenwoordigers der directies, zes vertegenwoordigers der arbeidersorganisaties en drie vertegenwoordigers van de beambtenorganisaties zitting hebben. Het geheel staat onder voorzitterschap van den Militairen Commissaris, die zich het uiteindelijke beslissingsrecht in alle kwesties voorbehoudt. Deze nieuwe stand van zaken heeft reeds gevoerd tot de verhooging van loonen en pensioenen en de verbetering van enkele arbeidsvoorwaarden. Over het algemeen richten de nieuwe sociale maatregelen zich naar het beginsel, dat arbeid een op zich zelf staande waarde bezit en niet, zooals vóór den oorlog, als "koopwaar" beschouwd dient te worden.
SOCIAAL WERK VOOR OORLOGSGETROFFENEN:
Organisatorisch valt in dit verband te berichten, dat te Eindhoven een centraal bestuur van het Roode Kruis werd gevormd en alle hulpverleening, zoowel particuliere als gemeenschappelijkeo onder één overkoepeling werd gebracht.
Gezorgd werd voor de uitzending van de eerste twee groepen van elk 500 Nederlandsche kinderen naar Engeland en van een contingent Nederlandsche kinderen naar België. Daarnaast werden door de Hulp Actie Roode Kruis kleeren en door het Roode Kruis levensmiddelen verdeeld.
Belangrijk was de aankomst in Brussel van 4 "Queen's Messengers Convoys". Op 11 Maart j.l. rukten deze colonnes uit naar Roermond en Venlo om de zwaar getroffen bevolking hulp te bieden. Tevens verkreeg het Roode Kruis de beschikking over 40 ambulance auto's en 30 vrachtwagens, terwijl door het Amerikaansche Roode Kruis nog 60 ton kleeren aan het Nederlandsche Roode Kruis werden overgedragen.
In verband met het sociaal werk voor oorlogsgetroffenen werd bijzonder goed werk door het Vrouwen Hulpkorps verricht, dat onder zeer moeilijke omstandigheden assistentie verleende bij de evacuatie van de Betuwe en Walcheren, dat in verschillende gebieden cantines en nood-hospitalen inrichtte, behulpzaam was bij de kinderuitzending, warme maaltijden verschafte aan arbeiders en getroffenen enz.
LUCHTBESCHERMING:
Door toedoen van de betrokken afdeeling van Militair Gezag kwam de verordening op de Luchtbescherming tot stand, welke de oude Luchtbeschermingswet van 1936, behoudens enkele wijzigingen, weer van kracht maakt en de luchtbescherming weer onder het Ministerie van Binnenlandsche Zaken brengt.
De luchtbeschermingsinspectie en de brandweerinspectie werden tot een orgaan vereenigd, terwijl een aantal mobiele brandweereenheden werden gesticht. Cursussen werden gegeven aan een uitgebreid aantal leden van de luchtbeschermingsdiensten. Een aantal hunner vertrok naar Engeland om zich vertrouwd te maken met de ervaringen, opgedaan op het gebied van de V1 en V2 wapens.
VOORLICHTING:
Nauwelijks enkele weken nadat de eerste Nederlandsche stad was bevrijd, weerklonk de stem van den eersten vrijen zender op vaderlandschen bodem,
p.57
Radio Herrijzend Nedorland, reeds in den aether. Haar program omvat o.a. dagelijks elf nieuwsuitzendingen en verschillende rubrieken op godsdienstig, cultureel en sociaal gebied. Teneinde de Nederlandsche pers van binnen- en buitenlandsch nieuws te kunnen voorzien, werd in October 1944 het persbureau Anep-Aneta opgericht. In Februari 1945 verplaatste dit bureau zijn zetel van Brussel naar Eindhoven, waar het de beschikking kreeg over een radio-telegrafische verreschrijver-verbinding met Londen, hetgeen de snelle verspreiding van het wereldnieuws uiteraard zeer ten goede kwam. Ter voorlichting van de pers werden voorts drie periodieken van het Militair Gezag in het licht gegeven genaamd "Commentaar","Oud Nieuws" en "Persstemmen uit Bevrijd Nederland", terwijl tevens ter bevordering van het contact tusschen overheid en pers sinds Februari 1945 geregeld om de twee weken een persconferentie wordt gehouden, waar de vraagstukken van den dag door competente sprekers werden toegelicht.
OPLEIDING FUNCTIONARISSEN:
De Stafschool van Militair Gezag heeft ten doel personen, die voldoende geschiktheid bezitten om tot een leidende functie bij het Militair Gezag te worden opgeleid, op hun nieuwen werkkring voor te bereiden. Richtlijn immers, bij het Militair Gezag is, zoo spoedig mogelijk bekwame personen uit het bevrijd gebied bij het omvangrijke werk in te schakelen. Tot dit doel worden cursussen gehouden, bestaande uit 80 à 90 voordrachten, met een tijdsduur van drie weken. Drie van dergelijke cursussen werden gehouden te Brussel en een te Eindhoven.
Tot slot van dit verslag dient nog te worden opgemerkt, dat het slechts als een summiere weergave mag worden beschouwd van hetgeen de eerste zes maanden is geschied. Uit veiligheidsoverwegingen kon op sommige punten niet nader worden ingegaan, weer andere moesten geheel onvermeld blijven. Cijfermateriaal, dat een concreet beeld zou kunnen geven van sommige onderdeelen van den herstelarbeid in bevrijd gebied, moest om dezelfde reden soms onvermeld blijven. Dit neemt echter niet weg, dat er naar gestreefd is van den herstelarbeid in bevrijd Nederland een zoo afgerond mogelijk beeld te geven.
******************* 18. DE TAAK VAN HET ARBEIDSBUREAU
Drie voordrachten gehouden voor Radio Herrijzend Nederland op 22 Januari, 29 Januari en 3 Februari 1945 door Mr. Ph. Werner, Directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau te Eindhoven, tijdelijk belast met de reorganisatie van het Rijksarbeidsbureau.
Het is mijn taak mom U vanavond te spreken over het Rijksarbeidbureau. Als ik dezen naam noem, ben ik er mij van bewust, dat ik den naam noem van een bureau, dat in de jaren der bezetting in verband met de deportatie van zoovele jonge mannen naar Duitschland een ongunstige reputatie had.
Het Koninklijk Besluit van 17 Juli 1944 zegt echter kortweg: "Het Rijksarbeidsbureau is gehandhaafd". Dit feit op zich zelf wijst er reeds op, dat er veel moet zijn, dat vóór het bureau als zoodanig spreekt. Inderdaad, het arbeidsbureau vervult een belangrijke en onmisbare functie in de samenleving en het
p.58
feit, dat onder de Duitsche bezetting van dit Overheidsapparaat misbruik is gemaakt, hoeft niet te verhinderen, dat dit bureau, gezuiverd in Nederlandschen zin, ín het bevrijde Nederland wordt gehandhaafd.
Het arbeidsbureau is tijdens de Duitsche bezetting tot stand gekomen. Dit wil niet zeggen, dat het Arbeidsbureau zijn ontstaan uitsluitend dankt aan Duitsch initiatief. Het Rijksarbeidsbureau, met zijn spreiding van Gewestelijke Arbeidsbureaux en bijkantoren over het geheele land, is in de plaats gekomen der vroegere gemeentelijke arbeidsbeurzen (in de groote plaatsen) en van de agentschappen der openbare arbeidsbemiddeling (in de kleinere plaatsen). Laatstgenoemde instellingen waren gemeentelijke instellingen, staande onder gezag en leiding van de gemeentelijke bestuursorganen. Hierin lag de groote zwakte dezer organisatie. Er was wel een Rijksdienst der Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling, van welke centrale leiding moest uitgaan, maar centrale leiding en eenheid van handelen kon door dezen dienst slechts onvoldoende verwezenlijkt worden, daar plaatselijke belangen den toon aangaven. Het onvoldoende van het apparaat-kwam wel duidelijk aan het licht bij de langdurige werkloosheidscrisis in de periode 1930-1940.
Reeds vóór den oorlog werd dari ook een sterke aandrang uitgeoefend om de arbeidsbemiddeling los te maken van de gemeenten en over te brengen naar het Rijk en een commissie was belast met de voorbereiding eener dergelijke reorganisatie. De omstandigheden van oorlog en bezetting hebben op deze reorganisatie wel invloed gehad, maar het zou ten eenenmale onjuist zijn, om van het arbeidsbureau te spreken, als van een instelling, welke haar ontstaan en inrichting dankt aan Duitsch initiatief. Feit is echter, dat de Duitschers en hun satellieten der N.S.B., de apparatuur van het arbeidsbureau steeds meer in handen hebben gekregen en dit hebben misbruikt voor hun migdadige bedoelingen. In hoeverre deze apparatuur zich hiertoe heeft geleend kan om begrijpelijke redenen eerst onderwerp van bespreking zijn als heel Nederland zal zijn bevrijd.
De taak der arbeidsbureaux bestond in hoofdzaak uit het beoefenen der arbeidsbemiddeling, dat wil zeggen: in het tot elkander brengen van werkgevers, die arbeidskrachten noodig hebben en werknemers, die werkgelegenheid zoeken. In den loop der bezettingsjaren is in de beteekenis der arbeidsbemiddeling een grondige wijziging gekomen. Oorspronkelijk hield deze namelijk niet in, dat tegenover werkgevers en werknemers met eenig gezag kon worden opgetreden. Geleidelijk aan werden de bevoegdheden van de arbeidsbureaux echter zoodanig uitgebreid, dat zij werkgevers en werknemers geheel naar hun hand konden zetten: èlke aanneming van personeel, èlk ontslag door een werkgever, èlk verbreken van het dienstverband door een werknemer, stond onder hun contrôle en zij hadden bevoegdheid om arbeiders aan een onderneming te ontnemen en elders te werk te stellen. De heele z.g. arbeidsmarkt werd dus door het Arbeidsbureau beheerscht en het beschikte vrij over alle aanwezige arbeidskrachten. Deze bevoegdheid werd aangewend om deze arbeidskrachten in te schakelen voor de Duitsche oorlogvoering, vrijwel zonder rekening te houden met persoonlijke belangen. Zij is oorzaak geworden van groote ellende voor zeer velen.
Men is soms geneigd om deze groote bevoegdheden der arbeidsbureaux als specifiek Duitsch te verwerpen. Ook hier moet men onderscheid maken. De bevoegdheden als zoodanig zijn niet specifiek Duitsch. Deze zelfde bevoegdheden, welke ik zooeven noemde, zelfs in veel sterker mate, had de Labour Exchange, het arbeidsbureau in Engeland. Specifiek Duitsch en dus te verwerpen waren slechts de wijze waarop en het doel waarvoor deze bevoegdhedgn tijdens de bezetting werden gebruikt en misbruikt. Het arbeidsbureau werd bij het Koninklijk Besluit, dat ik noemde, gehandhaafd, maar de bevoegdheden werden aanvankelijk -begrijpelijke reactie tegen de Duitsche willekeur sterk
p.59
ingekrompen. De bepaling bleef slechts bestaan, dat de werkgevers toestemming noodig hadden alvorens personeel te ontslaan. Zooals Minister van den Tempel onlangs voor deze microfoon mededeelde, heeft hij aan H.M. de Koningin thans voorgesteld, om ook het verbreken van het dienstverband door den werknemer en het aannemen van personeel door den werkgever aan een voorafgaande goedkeuring van het arbeidsbureau te binden, zulks onder het stellen van waarborgen, dat misbruik wordt voorkomen.
Het arbeidsbureau krijgt daardoor weer grootere bevoegdheid, wordt weer een orgaan dat ordenend kan optreden op de z.g. arbeidsmarkt. En een dergelijk orgaan is noodig! Wanneer een volk strijdt om zijn bestaan moeten alle krachten worden gemobiliseerd en gericht op het groote doel dien strijd te winnen. Ons volk strijdt om zijn bestaan, maar ook als de oorlog voorbij is, is de strijd nog niet gedaan, maar zal nog lang een algemeene mobilisatie en een planmatig gebruik noodig zijn van alle arbeidskrachten om te komen tot herstel en opbouw. De Nederlandsche Overheid zal hiervoor de richtlijnen hebben aan te geven, maar voor de uitvoering daarvan zal zij moeten beschikken over een daartoe geëigend apparaat, dat toegerust is met de noodige bevoegdheden.
******************* In mijn vorige toespraak beschreef ik het Arbeidsbureau als het apparaat, dat -toegerust met verstrekkende bevoegdheden- tot taak heeft om ordenend op te treden op de z.g. arbeidsmarkt. Vanavond wil ik spreken over enkele groote problemen van dezen tijd en van de naaste toekomst, waarvan de oplossing behoort tot de taak van het Arbeidsbureau. Het geweldige werkloosheidsprobleem. dat onze samenleving vóór den oorlog zoo zeer benauwde, is tijdens de Duitsche bezetting tot een einde gekomen, doordat alle beschikbare arbeidskrachten werden ingeschakeld voor de Duitsche oorlogsproductie. Daarnaast was er algemeen een optimistische kijk op de verwachte werkgelegenheid in de toekomst, waarin wij weer een vrij volk zouden zijn. Deze omstandigheden hebben het vraagstuk der werkloosheid als massaverschijnsel naar den achtergrond gedrongen.
Wij moeten ons echter realiseeren -het blijkt reeds duidelijk in onze dagen- dat een onvermijdelijk gevolg van den oorlog zal zijn, dat zich weer een omvangrijke werkloosheid zal voordoen. Ons productie-apparaat zal bij de algeheele bevrijding in een omvang, welke niet kon, zelfs niet mocht worden verwacht, verwoest en vernietigd zijn. Er zal gebrek zijn aan grondstoffen, halffabrikaten, brandstoffen, energie, communicatiemiddelen enz., zoodat de functioneering van het productie-apparaat, toch eerste en voornaamste voorwaarde om te kunnen werken, voorloopig zal stagneeren. De oorlogsproductie zal overigens eens overbodig worden de fabricage van surrogaten zal ophouden; honderdduizenden zullen terugkeeren naar vaderlandsehen bodem en zoo zijn er meer omstandigheden, welke ongetwijfeld de werkgelegenheid ongunstig zullen beïnvloeden.
Het is echter van belang er terstond op te wijzen dat deze werkloosheid een geheel ander karakter zal hebben dan dit der vooroorlogsche jaren. Toen spraken wij in een onbegrijpelijke berusting van een "blijvende werkloosheid". Thans is het duidelijk, dat er geen sprake kan en mag zijn van een blijvende werkloosheid. Uit de ruïnes, uit de puinhoopen, waarin de oorlog ons zal achterlaten zullen we één zaak behouden, een zaak van ontzaglijke waarde: onze arbeidskracht, ons prestatievermogen. Deze arbeidskracht zal zoo spoedig mogelijk moeten worden gemobiliseerd en ten volle benut voor het herstel en den opbouw van het vaderland. Het werk dat gedaan moet worden is veel en groot. Er is dan ook geen werkloosheidsprobleem, omdat er geen werk is; er is een werkloosheidsprobleem omdat het werk dat overvloedig voorhanden is, niet zoo snel en zoo goed is op gang te brengen als wij wel zouden wenschen.
p.60
De periode van werkloosheid zal dus slechts een probleem van tijdelijken aard zijn, een probleem van den overgangstijd. Hoe lang die periode zal duren en hoe omvangrijk de werkloosheid zal zijn is van verschillende factoren afhankelijk. Van veel beteekenis zal o.a. zijn de snelheid waarmede, en de mate waarin het bevriende buitenland in staat zal zijn om ons het noodige te verschaffen aan materialen en grondstoffen, maar daarnaast zal ook in beslissende mate van beteekenis zijn in hoeverre wijzelf aanpakken en in staat zullen blijken om ons aan den nieuwen toestand aan te passen.
Vast staat dat de omschakeling van oorlogs- op vredesproductie voor vele ondernemingen zal beteekenen, dat de omvang der bedrijvigheid zal verminderen en dat talrijke arbeiders overcompleet zullen worden. Vele ondernemingen zullen zich misschien in jaren niet zoodanig kunnen herstellen, dat zij al hun personeel weer aan het werk kunnen zetten. Aan den eenen kant zal dus gerekend moeten worden op een teveel aan arbeidskrachten. Van den anderen kant is echter te verwachten, dat er in talrijke andere bedrijven een te kort aan arbeidskrachten aan den dag zal treden. wij zien dat dit zich thans reeds in het groot voordoet in het bouwbedrijf en in verschillende kleinere bedrijven als kleermakers-, schoenmakers-, electriciens-, loodgietersbedrijven enz.
Op groote schaal zal dus -en ziehier een grootsche taak van het Arbeidsbureau- een hergroepeering moeten plaats vinden van arbeidskrachten, een overschuiven van het eene bedrijf en de eene onderneming naar de andere. Wij hebben hiervan reeds een voorbeeld gehad tijdens de bezetting, toen de Duitschers, voorzoover hun dat mogelijk was, de geheele productie richtten op de belangen der Duitsche oorlogvoering. In grooter mate zal dit thans moeten plaats vinden. Noodzakelijk is dat deze hergroepeering, welke niet alleen van belang is voor de spoedige opheffing der werkloosheid, maar die ook in het belang is van het herstel en den opbouw van het Vaderland, zoo snel en zoo goed mogelijk plaats heeft. En het is dan ook goed gezien dat de regeering in het K.B. van 17 Juli 1944 aandacht heeft gehad voor het probleem der scholing, omscholing en herscholing; een taak welke bij dat zelfde K.B. wordt gelegd op het Arbeidsbureau.
Naar mate de bedrijvigheid meer op gang zal komen, zal er een tekort komen aan arbeidskrachten en allereerst aan geschoolde arbeidskrachten: vaklieden. Daarom zal de scholing van ongeschoolde arbeiders, die daarvoor in aanmerking kunnen komen, moeten worden ter hand genomen; arbeidskrachten, die in een periode van onderduiken, door gevangenschap, door gedwongen werk buiten hun beroep, door het verrichten van militairen dienst e.d. hun waarde als vakman geheel of gedeeltelijk hebben verloren zullen moeten worden herschoold en anderen, die in andere beroepen meer of beter kunnen presteeren dan in het beroep dat zij tevoren beoefenden, moeten worden omgeschoold.
Het is noodzakelijk de problemen welke hiermede samenhangen tijdig onder het oog te zien en plannen aarvoor op te stellen en uit te voeren. Minister van den Tempel heeft dan ook onlangs een commissie ingesteld, welke tot taak heeft om in dien zin werkzaam te zijn. Er zal uiteindelijk een tekort komen aan arbeidskrachten in het algemeen. Noodzakelijk is daarom -ik wees hierop reeds in mijn toespraak van vorige week- dat een vast plan aan den wederopbouw van een vaderland ten grondslag wordt gelegd. Er zal dus een opstelling moeten worden gemaakt naar prioriteit der bedrijvigheid, opdat die werkzaamheden, welke het meest vitaal moeten worden geacht ook hel eerst worden aangepakt en in haar uitvoering verzekerd. De arbeidskrachten zullen dus allereerst aan deze werkzaamheden moeten worden toegevoerd.
Er zal niet meer, als in het verleden gebeurde, mogen worden gemorst met de aanwezige arbeidskrachten. Integendeel er zal moeten worden gewoekerd met wat de Nederlandsche arbeider aan bekwaamheid en geschiktheid in zich
p.61
heeft. Van onze airbeidskracht zal afhangen, wat er van ons vaderland in de toekomst zal terecht komen. Deze arbeidskracht zal moeten worden aangewend daar, waar deze het meeste en het beste presteeren kan: d.w.z, op een werkgelegenheid, welke past bij de persoonlijkheid; welke arbeidsvreugde geeft en het sterkmakend besef een nuttig lid te zijn der samenleving.
Dit tot stand te brengen zal de grootsche en moeiijke taak zijn van het Arbeidsbureau.
******************* Ik wil U hedenavond spreken over een Koninklijk Besluit, dat van uitermate groote beteekenis is voor werkgevers en werknemers. Het is het onlangs bekend gemaakte Koninkljk Besluit van 29 December 1944, dat wijziging en aanvulling bracht van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen. In artikel 6 van dit laatste Besluit is voor werkgevers de verplichting opgenomen om voorafgaande toestemming te vragen van den Directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau alvorens een werknemer te ontslaan. Deze toestemming is niet noodig, indien het dienstverband met wederzijdsch goedvinden wordt verbroken, dan wel de werkgever een dringende reden heeft in den zin van artikel 1639 p van het Burgerlijk Wetboek, als b.v. ernstig wangedrag, om den werknemer onmiddellijk te ontslaan.
Voor den werknemer was er niet een gelijksoortige verplichting. Hij was dus vrij om naar eigen goeddunken zijn dienstverband bij den eenen werkgever te verbreken en bij een anderen werkgever te gaan werken. De andere werkgever was eveneens vrij om zonder inmenging van het Arbeidsbureau den arbeider in dienst te nemen. Deze toestand was uitermate onbevredigend. Wij gaan thans graag van de gedachte uit, dat werkgevers en werknemers geen tegenstellingen zijn, maar samenwerkenden, door gemeenschappelijke belangen gebonden bij den gemeenschappelijken arbeid. Wanneer er een belangengemeenschap bestaat, heeft niet alleen de werkgever verplichtingen tegenover den werknemer, maar heeft ook de werknemer verplichtingen tegenover den werkgever. Als er dus reden is om de belangen van den werknemer te beschermen door den werkgever te binden aan een voorafgaande toestemming van het Arbeidsbureau alvorens een werknemer te ontslaan, is er evenveel reden om den werknemer te binden aan een dergelijke toestemming, als deze zijn dienstverband met den werkgever wil verbreken. Zoo ook zien wij werkgevers uit een bepaald bedrijf -die opgevat als een groep van gelijksoortige ondernemingen- niet meer als een groep personen, die ongeïnteresseerd naast elkander staan en bij de behartiging der eigen belangen, die van anderen niet tellen. Hun verhouding behoort op basis van samenwerking en niet van tegenstelling te staan. Het is dan ook in het algemeen niet juist, dat de een een werknemer van den ander overneemt, zonder ook maar eenige rekening te houden met de belangen van dien andere.
Hiernaast zijn er nog andere motieven welke er voor pleiten om het ontslagnemen en het aannemen van personeel onder contrôle te stellen van het Arbeidsbureau. Hetzelfde besluit Arbeidsverhoudingen kent in artikel 3 de z.g. loonstop, dit is een verbod om de loonen, geldend op het oogenblik der bevrijding, te verhoogen zonder voorafgaande toestemming van een Rijksbemiddelaar. Het is met het oog op de toekomstige werkgelegenheid in ons land van uitermate groote beteekenis, dat loonen en prijzen op weloverwogen wijze aan den nieuwen toestand worden aangepast. Ieder, die zich hieraan niet stoort en naar eigen inzicht en slechts bedacht op eigen voordeel handelt, brengt de toekomst van ons volk in gevaar. Nochtans moet worden geconstateerd, -en speciaal in de bedrijven, waarin zich thans reeds een tekort aan vaklieden voordoet,- dat werkgevers loonen aanbieden en betalen en werknemers loonen eischen en aanvaarden, die ver uitgaan boven de loonen, welke zijn toegestaan. Om hieraan
p.62
paal en perk te kunnen stellen is het van belang, dat ontslag en aanstelling onder contrôle worden gebracht.
Tenslotte wil ik er nog op wijzen, dat het van groot belang is, dat richting kan worden gegeven aan het juiste gebruik der aanwezige arbeidskrachten. Niet alle werkzaamheden zijn even belangrijk en als er tekort is aan arbeiders moet aan de uitvoering van het meer belangrijke werk voorrang kunnen worden gegeven boven het minder belangrijke werk. Dit kan geschieden door invloed uit te oefenen op ontslag en aanstelling van personeel en dit te binden aan een vergunning. In het nieuwe Koninklijk Besluit, dat ik in den aanhef noemde, zijn nu de besproken voorzieningen getroffen. Niet alleen is thans de werkgever verplicht om toestemming aan het Arbeidsbureau te vragen alvorens een werknemer te ontslaan, ook de werknemer moet nu toestemming vragen alvorens het verband met een werkgever te verbreken. Uitgezonderd is ook thans nog het geval, dat het dienstverband met wederzijdsch goedvinden is beëindigd en dat de een aan den ander een dringende reden heeft gegeven om het dienstverband onmiddellijk te verbreken (art. 1639 p en q B.W.).
De Directeur is niet geheel en al vrij in zijn beslissing op een vergunningaanvrage. Uitdrukkelijk is n.l. bepaald, dat hij de toestemming niet mag weigeren indien de weigering aan een redelijke verbetering van den werknemer in den weg zou staan. Wat onder een "redelijke verbetering" moet worden verstaan is niet omschreven en staat ter beoordeeling van den Directeur. Mocht hij de gevraagde vergunning willen weigeren, dan moet hij tevoren de Commissie van Advies hooren, welke voor elk Arbeidsbureau is voorgeschreven. In deze commissies zijn werkgevers en werknemers vertegenwoordigd. Verder hebben werkgever en werknemer beroep op den Rijksbemiddelaar. Het is uiteraard duidelijk, dat b.v. een verandering van betrekking, welke zijn oorzaak vindt in het aanbod van een ongeoorloofd hoog loon, niet als een "redelijke" verbetering zal worden aangemerkt.
Naast deze ontslagvergunning is verder in artikel 6a een aanstellingsvergunning verplichtend gesteld. Een werkgever mag thans zonder toestemming van den Directeur van het Arbeidshureau een werknemer niet in dienst nemen, tenzij deze kan aantoonen dat zijn vorige dienstbetrekking is geëindigd met toestemming van dien Directeur. Verder zijn uitgezonderd de gevallen waarin deze laatste toestemming niet noodig was omdat het verbreken van het dienstverband met wederzijdsch goedvinden heeft plaats gevonden of een dringende reden hiertoe aanleiding gaf. Hoewel het besluit dit niet uitdrukkelijk vermeldt, is het vanzelfsprekend, dat aan het verleenen eener vergunning voorwaarden kunnen worden verbonden. Zoo kan de Directeur bepalen, dat de werknemer een langeren opzegtermijn in acht moet nemen dan gebruikelijk is, of dat de werkgever nog een aantal weken aan den ontslagen arbeider loon moet doorbetalen.
Het Koninklijk Besluit spreekt zonder eenige beperking van werkgevers en werknemers. Hiertoe behooren dus alle werkgevers en alle werknemers. Eenerzijds dus zoowel natuurlijke personen als rechtspersonen: naamlooze vennoot- schappen, vereenigingen, stichtingen, overheidslichamen enz. en anderzijds zoowel mannen als vrouwen en evengoed hand- als hoofdarbeiders, onverschillig bij welken werkgever zij in dienst zijn. Uiteraard is op overtreding der gegeven voorschriften straf gesteld.
De regeling, welke ik U hier in hoofdlijnen weergaf en waarvan ik U de goede gronden noemde, is van uitermate groote beteekenis. Deze regeling, wil orde brengen op de arbeidsmarkt. Laat ieder beseffen, dat orde noodzakelijke voorwaarde is voor den heropbloei van onze samenleving. Al legt het vestigen en handhaven dezer orde lasten op, laten wij deze lasten nemen, omdat zij ons de zekerheid geven, dat Nederland zal herrijzen.
*******************
p.63
19. ORGANISATIE DER REPATRIEERING
Uit "Commentaar" van 20 Maart 1945.
Tijdens de bezetting liet de Nederlaudsche Regeering te Londen reeds haar gedachten gaan over de terugkeer van de honderdduizenden, die door den bezetter uit het land weggevoerd waren. Voor de repatrieering van Nederlanders, die zich buiten 's lands grenzen bevinden, heeft de Regeering een Regeeringscommissaris voor Repatrieering, den Heer G. F. Ferwerda, aangewezen. Hij werd met de taak belast om in overleg met burgerlijke en militaire autoriteiten in het buitenland, te bevorderen, dat de repatrieerende Nederlanders zoo spoedig mogelijk naar de Nederlandsche grens worden gedirigeerd. Het Bureau voor Evacueerings- en Repatrieeringszaken Militair Gezag neemt dan de zorg voor deze menschen over en belast zich ook met het transport naar huis.
Uit dezen opzet blijkt, dat de repatrieering van Nederland uit het buitenland over twee schijven loopt, die elkaar raken op het aankomstpunt, d.w.z. de Nederlandsche grens.
Door den Regeeringscommissaris wordt uiteraard zeer nauw overleg gepleegd met de geallieerde iusianties. In de reeds bevrijde landen heeft de Regeeringscommissaris voor Repatrieering daarenboven vertegenwoordigingen in den vorm van missies. De Regeeringen in bovengenoemde landen verleenen op grond van gesloten verdragen alle noodige faciliteiten en medewerking, ten einde de Nederlanders, die zich in hun gebied bevinden, gedurende hun gedwongen verblijf aldaar zoo goed mogelijk te verzorgen. In Frankrijk en België geschiedt deze verzorging in den vorm van geldelijke uitkeeringen, hulpverleening in natura, medische en sociale verzorging e.d.
Uit den aard der zaak, zal de behandeling der repatriandi in vijandelijk, nog niet door de geallieerden bezet gebied, moeten afwijken van de behandeling die mogelijk is in bevriende, reeds bevrijde landen. In vijandelijk gebied zullen de algemeene toestanden immers een dusdanig chaotisch karakter bezitten, dat overleg met burgerlijke administratieve instanties van dat land geen vruchten kan afwerpen.
Slechts afspraken met de bezettende militaire macht kunnen hier van practisch nut zijn. Deze afspraken nu bestaan reeds lang en een bijzondere afdeeling van het geallieerd opperbevel werd opgericht om alle aangelegenheden te behandelen, die verband houden met z.g. Displaced Persons.
Alle nationaliteiten, die bij het groote werk der repatrieering uit Centraal Europa zijn betrokken, hebben Repatriation Officials opgeleid. De Nederlandsche Repatriation Officials, ressorteerend onder den Regeeringscommissaris der Repatrieering, worden ingedeeld bij geallieerde legereenheden, die in vijandelijk gebied oprukken. Zij krijgen, als eerste Nederlandsche vertegenwoordigers, contact met de Nederlanders, die op vijandelijk gebied worden aangetroffen. Op het belangrijk werk, dat hun wachtte, werden zij voorbereid door een opleiding, die gedeeltelijk in Engeland en gedeeltelijk in Frankrijk plaats vond. Deze opleiding is op internationale leest geschoeid.
Alhoewel de Repatriation Officials vertegenwoordigers van de Nederlandsche Regeering zijn, staan zij rechtstreeks onder de order van het geallieerd opperbevel, dat hun de te vervullen taak aanwijst. Het spreekt vanzelf, dat Repatriation Officials hun werkzaamheden niet zouden kunnen vervullen, indien zij geen
p.64
gebruik konden maken van de hulpbronnen, waarover alleen het geallieerd Opperbevel beschikt. De militaire Overheid immers zal de geheele materieele verzorging der repatriandi op zich moeten nemen, hierin waarschijnlijk zeer spoedig bijgestaan door de UNRRA.
Uiterst belangrijk werk zullen de Repatriation Officials te verrichten hebben in de periode, die het oogenblik waarop de repatriandus wordt bevrijd en het oogenblik waarop hij wederom eigen bodem betreedt, overbrugt.
Het terugbrengen van vele millioenen repatriandi uit Centraal Europa naar Oost en West, Noord en Zuid, beteekent een vervoersprobleem van de eerste orde. Gezien de ontreddering van het ten dienste staande apparaat, is het niet uitgesloten, dat dit vervoer geruimen tijd in beslag zal nemen. Vele repatriandi zullen derhalve, zelfs nà de bevrijding nog eenigen tijd moeten wachten, alvorens de reis huiswaarts te kunnen aanvaarden. Het is gedurende deze wachtperiode, dat de Repatriation Officials op velerlei gebied zullen medewerken, om de omstandigheden en de levensvoorwaarden van den repatriandus te verbeteren. De Repatriation Official zal in vele gevallen zijn werkzaamheden kunnen vervullen in groote kampen, waarin Nederlanders worden verzameld, doch daar waar geen zuiver Nederlandsche kampen worden opgericht, zal hij zijn taak moeten uitvoeren in overleg met Repatriation Officials van andere nationaliteiten. Op deze wijze zal hij toch steeds geschakeld blijven tusschen de repatriandi en het geallieerde Legercommando.
Hebben de repatrieerenden eenmaal Nederlands grenzen bereikt, dan staan zij niet langer onder de verantwoordelijkheid van den Nederlandschen Regeeringscommissaris van Repatrieering, maar van het "Bureau Repatrieering Militair Gezag", de Dienst, die binnen de landsgrenzen werkzaam is.
Hoe dit Bureau werkt? Het Oostelijk en Zuidelijk grensgebied heeft men verdeeld in VAKKEN. Vanwege den Dienst der Repatrieering is aan het hoofd van elk vak een Militaire Repatrieeringscommissaris aangesteld, vanwege de Grensbewaking een Grensvakcommandant. De algemeene leiding der Repatrieering in een bepaald vak berust bij den Militairen Repatrieeringscommissaris. In het geheel zijn er 8 vakken. Elk vak is weer verdeeld in 1 tot 4 districten. Aan het hoofd van ieder district staat een Districtshoofd, belast met de dagelijksche leiding en het toezicht op de repatrieeringszaken in zijn district.
De repatrieerenden zullen ons vaderland binnenkomen via de oude "doorlaatposten" der Douane, aangevuld met enkele nieuwe nog op te richten posten. Op deze Ontvangstposten zal een eerste ongedierte-bestrijding plaats vinden. Men wil er eenig voedsel en genotmiddelen uitreiken, terwijl ook enkele administratieve gegevens worden verzameld.
De bedoeling is, dat deze menschen zoo spoedig mogelijk in kleine groepen naar een Ontvangstcentrum worden gebracht, in de nabijheid van de Ontvangstpost gelegen. De repatrieerenden worden hier medisch onderzocht. Speciaal zal er op gelet worden of er onder hen geen lijders aan besmettelijke ziekten voorkomen. Met het oog op de reeds toch al zwakke gezondheidstoestand van het Nederlandsche volk, zou dit fatale gevolgen kunnen hebben. Voor deze gevallen worden quarantaine-kampen ingericht, waar zij op advies van den dokter kunnen worden ondergebracht en waar zij dienen te verblijven, zoolang dit door de medici noodig wordt geoordeeld. Eventueel vindt ook opname in ziekenhuizen plaats.
De kwestie der politieke betrouwbaarheid is evenmin vergeten. Mocht na een zeer summier onderzoek in de ontvangst-centra komen vast te staan, dat voor een bepaalde repatrieerende politiek geen plaats is in bevrijd Nederland, dan zal hij, in afwachting van door de Justitie te nemen maatregelen, worden ondergebracht in voorloopige Interneeringskampen, welke onder het beheer der afdeeling Grensbewaking staan.
Hebben de repatrieerende Nederlanders een ontvangst-centrum doorloopen,
p.65
met alles wat daarmee verband houdt, dan worden zij doorgezonden naar de Verzamelplaats vertrekkenden. Met Officieren van de Sectie Transport van het Militair Gezag zullen regelingen getroffen worden, opdat de betrokkenen de thuisreis zullen kunnen aanvaarden.
Nu is het echter allesbehalve zeker, dat de repatrieerende werkelijk zijn woning terug zal vinden. Het kan heel goed zijn, dat zijn gezin tengevolge van oorlogshandelingen heeft moeten evacueeren. In dat geval is het nieuwe adres bekend bij het Bureau Afvoer Burgerbevolking (B.A.B.) en de repatrieerende zal dan zoo mogelijk vervoerd worden naar die gemeente, waar zijn familie op dat moment verblijf houdt.
Vreemdelingen worden, voor zoover plaatsing in een quarantaine-kamp niet noodig is, in een z.g. vreemdelingenkamp ondergebracht. Voor voeding, onderdak en recreatie wordt gezorgd. Verder zullen deze menschen zoo spoedig mogelijk, in samenwerking met de Geallieerden of met de van die landen bij ons gedetacheerde liaison-officieren, naar hun land van herkomst worden teruggezonden. Het aantal vreemdelingen is inmiddels al zeer groot geworden. De Nederlandsche Regeering heeft, in overleg met de geallieerde autoriteiten, maatregelen moeten nemen om verdere uitbreiding te voorkomen. Kunnen zij niet onmiddellijk naar hun vaderland terugkeeren, dan zullen zij naar speciale vreemdelingenkampen b.v. in Frankrijk worden gezonden. Voor Nederland, vanouds een gastvrij land, is dit een moeilijk besluit geweest, maar de toestand in Nederland is zoodanig, dat het zeker gerechtvaardigd is.
******************* 20. DE ROL VAN ONZEN LANDBOUW BIJ DE VOEDSELVOORZIENING
Voordracht gehouden voor Radio "Herrijzend Nederland" op 22 Maart 1945, door Drs. Th. Heuts, Perschef van het Algemeen Commissariaat voor Voedselvoorziening.
Ik stel mij voor U in deze uitzending eenig inzicht te geven in de moeilijkheden, die onze landbouw thans doormaakt. Om deze moeilijkheden op te lossen zijn en worden maatregelen genomen. Het doel van deze maatregelen is dubbel; ten eerste het boerenbedrijf moet loonend zijn, ten tweede, onze voedselvoorziening moet zoo veilig mogelijk gesteld worden.
Er zijn thans echter vele omstandigheden, die de taak van den boer buitengewoon moeilijk maken. Immers, voor hij in het voorjaar aan het werk gaat ontwerpt de boer zijn teeltplan. En wat is er noodig om het teeltplan zoo degelijk mogelijk samen te stellen? Hij moet daarbij letten op verschillende factoren als b.v. de geschiktheid van het land voor een bepaald gewas, de vruchtverwisseling, de kunstmest en de arbeidskrachten, die ter beschikkng staan en verder ook op de prijzen, die de Overheid voor de verschillende gewassen in het uitzicht stelt. Niet in de laatste plaats ook dient hij rekening te houden met de richting, waarin zich de bodemopbrengst volgens den wensch der Overheid onder de gegeven omstandigheden dient te bewegen. Het is in verband met het laatste dat de Overheid telken jare het zoogenaamde bodemproductie-plan
p.66
publiceert, waarin den boer de noodige aanwijzingen worden verstrekt. En juist dit jaar plaatst het onderwerp van het teeltplan den boer voor zeer groote moeilijkheden. Daar is dan in de allereerste plaats het kunstmest-probleem. Reeds gedurende de bezettingsjaren waren de toegewezen hoeveelheden kunstmest zeer beperkt. Terwijl kali-meststof tot op de helft en minder werden teruggebracht. De toestand op dit oogenblik is nog belangrijk slechter. De kalimijnen liggen voor een deel in Duitschland en zijn dus onbereikbaar, en voor zoover zij zich in Frankrijk bevinden liggen zij in het gebied, dat nog voor zeer kort strijdtooneel was.
De fosfaat-meststoffen kwamen uit België. Tengevolge van de kolenschaarste waarmede onze Zuiderburen te kampen hebben, ligt de fosfaatproductie daar practisch stil. In ieder geval zal België geen overschot voor Nederland ter beschikking kunnen stellen. Stikstof wordt in ons eigen land geproduceerd. Door de oorlogsomstandigheden zijn echter ook de in bevrijd gebied aanwezige stikstof-industrieën tot stilstand gedoemd, wel zal alles in het werk gesteld worden deze weer op gang te brengen, maar tot nu toe kunnen wij slechts beschikken over een zeer, zeer geringen voorraad.
Nu is wel tijdig de Nederlandsche behoefte bij de geallieerden gemeld, doch de voor dit doel beschikbare scheepsruimte is zoo gering dat de eventueel te importeeren meststoffen hier wel niet tijdig zullen arriveeren. De boer zal het dus dit jaar zonder kunstmest moeten doen. En dit beteekent voor onze landbouw-productie een groote ramp. Een ander probleem, waarmee de boer in dezen tijd te kampen heeft, is dat der beschikbare arbeidskrachten, Zoo bleek b.v. uit inlichtingen, die ik enkele dagen geleden ontving dat bij dertien boeren in de omgeving van Roosendaal, met een totale oppervlakte aan land van 751 Ha., slechts 43 arbeiders ter beschikking waren, terwijl het werkelijk benoodigde aantal ten minste op 128 geschat moet worden.
Een zelfde toestand kan bijna in ieder deel van bevrijd Nederlandsch gebied worden vastgesteld. Dit geldt in zeer hooge maten voor de pas bevrijde gebieden, midden- en noord Limburg waar de beschikbare arbeiders voor een groot deel door de Duitschers zijn weggevoerd, waardoor hier en daar, zelfs de grond niet extensief in cultuur gebracht kan worden. Hoewel dit niet rechtstreeks onder de bemoeiing van het ASV is, is toch dezerzijds herhaaldelijk de aandacht der bevoegde autoriteiten op deze kwestie gevestigd en de overheid neemt maatregelen in overweging om het wegvloeien van arbeidskrachten uit den landbouw zooveel mogelijk tegen te gaan.
Hiernaast bestaat er ook op het gebied van aantrekkracht, paarden dus en tractoren, een schreeuwend tekort, vooral waar het terugtrekkende Duitsche leger veel paarden gevorderd heeft. Door onderlinge verschuiving van paarden, is getracht de ergste moeilijkheden op te vangen, maar daarnaast is ook reeds toestemming verkregen om uit België zeer binnenkort een duizend paarden in te voeren, die ter beschikking van de boeren worden gesteld; verder wil men tractoren uit Engeland en Amerika importeeren, doch ook hier is het wachten weer op de beschikbare scheepsruimte. Toch is het de verwachting dat binnen enkele weken een 200tal tracforen in ons land zullen aankomen. Men zal alles doen om, gezien den zeer ernstigen toestand een spoedige afwerking van dit importprogramma te bewerken. Alle moeilijkheden, die ik hierboven heb opgesomd en waarvoor in de huidige omstandigheden practisch geen oplossing kan worden gevonden, zullen van grooten invloed zijn bij de opstelling van het teeltplan.
Zoo zal het tekort aan kunstmest, zoowel als aan arbeidskrachten den boer dwingen naar het verbouwen van granen en peulvruchten. Dit echter vormt een groot gevaar, bezien van Overheidsstandpunt, daar hierdoor de verbouw van aardappelen en suikerbieten en andere arbeidsintensieve gewassen in het gedrang komt. Voor zoover men het thans kan beoordeelen, zal ook in het
p.67
volgende jaar import van juist die gewassen uit den vreemde zeer moeilijk plaats kunnen hebben. Het is daarom van zeer groote beteekenis, dat iedere boer zich realiseert, dat het zijn vaderlandsche plicht is om aan den verbouw van hekvruchten zooveel mogelijk bij gte dragen.
Wat nu betreft het vraagstuk van de landbouwprijzen zal in verband met de bijzonder moeilijke omstandigheden een z.g. oorlogstoeslag worden gegeven op de voor 1944 geldende prijzen; zoo, zal b.v. de tarweprijs inclusief de oorlogstoeslag voor 1945 fl. 17.- per 100 kg. zijn, de roggeprijs fl. 16.75, de suikerbietenprijs fl. 30.- per 100 kg., terwijl ook de aardappelprijs met fl. 0.50 per 100 kg. zal worden verhoogd. Waarschijnlijk zullen de inkomsten voor de bedrijven op minder goede gronden en voor kleine bedrijven bij deze nieuwe prijzen nog onvoldoende zijn. Indien dat het geval mocht zijn, zal, teneinde tegemoet te komen aan de bijzondere moeilijkheden, waarin de categorie van bedrijven verkeert, een extra toeslag worden uitgekeerd. De methode waarop deze toeslag ware te berekenen zal nog worden uitgewerkt. De mogelijkheid wordt overwogen deze extra vergoeding geheel of gedeeltelijk in natura te verstrekken. Voorwaarde is echter dat de betreffende boer zijn land niet laat liggen, tenzij hij door absolute overmacht, zooals b.v. de aanwezigheid van mijnen daarop, onmogelijk gewassen kan teelen.
Onze eigen landbouw is vooralsnog een van de hoofdpijlers van onze voedselvoorziening. Pessimisme ten aanzien van onze voedselvoorziening is misplaatst, maar overdreven optimisme is evenzeer onverantwoord. Duidelijk de moeilijkheden en ook de mogelijkheden onder de oogen zien, is thans de eerste eisch. De bevoegde autoriteiten doen alles, en meer dan alles zou ik haast willen zeggen om in de materieele behoeften van ons gebied te voorzien. Weest daarvan overtuigd. Weest er echter ook van overtuigd dat om dit te bereiken o.a. al het mogelijke gedaan zal worden om de boeren hun bedrijf loonend te laten voortzetten. Na de bovenvermelde maatregelen op landbouw-gebied die ongetwijfeld nog aangevuld en verbeterd zullen worden is thans het woord aan de boeren. Moge het hun gelukken, om onder de huidige wel zeer ernstige tijdsomstandigheden met Gods hulp er in te slagen hun belangrijke bijdragen voor de voedselvoorziening, dus ook voor het welzijn van het Nederlandsche volk, te blijven leveren.
_______________________________
p.68
Achterblad van dit document.
UITGAVE CENTRAAL BUREAU VOOR DRUKWERKEN M.C.
Met vriendelijke groet NVZ.