Ommen 1248 door dr. J.A. Kok O.F.M
Hulpbisschop te Utrecht
(uitgesproken tijdens het 750-jarig bestaan van de stad Ommen)Ordinis Fratrum Minorum
(van de orde der minderbroeders)
OMMEN 1248
Otto, bij de gratie Gods bisschop van Utrecht,
maakt aan allen die dit zien bekend dat wij
aan alle mannen,
tegenwoordige en toekomstige inwoners van de stad Ommen,
gaarne die vrijheid verlenen
welke door ons en onze voorgangers verleend is
aan onze burgers van Deventer, Zwolle en Kampen.
Wij doen dit op wijs advies van onze getrouwen,
omdat het goed is voor ons Utrechts bisdom -
en maken die plaats Ommen vrij ...... .Aldus begint een oorkonde, op 25 augustus 1248 te Vollenhove uitgegeven, het begin van Dmmen als stad, wel onderscheiden van het omliggend ambt, dat in 1923 met die stad één geheel werd.
Dié oorkonde bevat voor ons, 750 jaar later, een aantal eigenaardigheden.
- Een bisschop verleent stadsrechten. Zoiets verwacht je van wereldlijke autoriteiten. Voor wie de Middeleeuwse geschiedenis niet kent, zal het verbazing wekken, dat een bisschop verwikkeld was in bestuurlijke kwesties van maatschappelijke aard, ja zelfs aan de besluitvorming rechtskracht moest verlenen.
In de dagen van Willibrord was dat zeker niet zo. Deze vestigde rond 700 in Utrecht het centrum van zijn missie onder de Friezen, naast een miniatuur bisschopskerk eigenlijk weinig meer dan een klein klooster en een school. Pas heel langzaam komen daar in Noord Nederland de kleine centra bij van parochiekerken en kloostertjes. Het is een wereld van bekeringsijver en religieus opbouwwerk, en het verzorgen van de materiële grondslag daarvoor.
Dat het in 10e en 11e eeuw anders werd, heeft alles met de geschiedenis van de Noormannen en van de verbrokkeling van het Karolingenrijk te maken. Niet de keizer, maar een veelheid van kleine plaatselijke heren leek het in deze Streken voor het zeggen te krijgen.
De Karolingen hadden hun rijk ingedeeld in "gouwen" en aan het hoofd daarvan "graven" aangesteld. Het benoemingsrecht berustte bij de keizer. Maar precies dat dreigde weg te vallen, omdat die graven probeerden hun ambt erfelijk te maken.
Dan wordt het voor de keizer aantrekkelijk, graven te benoemen bij wie geen kinderen -althans geen wettige kinderen- te verwachten zijn. Waar het aloude, priestercelibaat, bedoeld als benadrukking van het geestelijke in de wereld, aldus toe dienen kan ...... !!
Langzaam maar zeker ontwikkelt zich een keizerlijke politiek, waarbij binnen het Duitse Rijk kerkelijke staatjes worden gesticht, en het de Keizer wél gelukt het benoemingsrecht aan zich te trekken en te houden.
En vervolgens recruteert hij de nieuwe bisschoppen -met zowel geestelijke als wereldlijke macht- uit zijn onmiddellijke omgeving: zijn meest betrouwbare ambtenaren ...
- Het idee werd niet in één nacht geboren, en niet in één slag gerealiseerd.
Het begon met het verlenen van allerlei rechten, die aansloten bij de immuniteitsrechten van bisschopskerken, aan de kerk geschonken grondbezit enz. Daar hadden de graven toch al beperkte macht, en die wordt aldus verder verkleind.
Voor Utrecht wordt dat goed zichtbaar in de tijd van bisschop Balderik, bisschop van 918 tot 976, bijna zestig jaar lang.
Na de chaos van de Noormannentijd, keert hij uit de langdurige vluchtplaatsen Deventer en Oldenzaal terug naar Utrecht, en begint met de kerkelijke wederopbouw van het bisdom.
In een gebied waarin eigenlijk nooit steden hadden bestaan, groeide Utrecht nu tot het centrum van de Noordelijke Nederlanden. Vooralsnog een religieus centrum, maar in de gedachtengang van de keizers wordt Utrecht dan de plaats vanwaaruit ze, via de bisschop, hun machtspositie willen herstellen.De voorgaande bisschop Radbod (900-917) had zich nog tegen een dergelijke benadering verzet. Toen koning Lodewijk IV hem bij politieke kwesties in het graafschap Zutphen wilde betrekken antwoordde Radbod: "het betaamt bisschoppen niet, zich met wereldse zaken in te laten. Hun voegt de geestelijke wapenrusting. Zij moeten voor koning en volk bidden, niet vechten; zielen winnen,géén aardse goederen".
Balderik, de opvolger dacht daar blijkbaar anders over, en liet zich in de keizerlijke politiek inschakelen. En aldus wordt Utrecht, langzaam maar zeker, ook in politiek opzicht de natuurlijke hoofdstad van Noord-Nederland.
Het bisdom als kerkelijk qebied omvatte Nederland ten Noordwesten van de lijn Hulst - Bommelerwaard - Emmerik - Oldenzaal - Groningen - Lauwerszee. Een steeds groter deel van dat gebied werd geleidelijk ook in wereldlijk opzicht onder de Kromstaf gebracht.
Pas als het Concordaat van Worms (1122) het keizerlijk benoemingsrecht inperkt, stuit de beweging tot vorming van kerkelijke staten op een echte blokkade. En als rond 1200 de keizerlijke macht ook in andere opzichten gaat tanen, zullen de graaf van Holland en de graaf (na 1339 hertog) van Gelre er alles aan doen, zich aan de Utrechtse greep te ontworstelen.
- Zo bezien, waren de verhoudingen destijds anders dan vaak gedacht wordt. De voorstelling van Brabant, Holland en Gelre, als bepalend voor het politieke gebeuren, paste in 11e en 12e eeuw nog niet op de situatie in onze streken. Dat geldt zeker voor de Dirkjes -zeven in getal- en de Florissen, die vanuit een vigerend Hollandocentrisch geschiedsbeeld in heel Nederland in de hoofdjes van lagere schoolkinderen zijn gestampt. Die Dirken waren, nóg meer dan de heren in wat later onze provincie Gelderland zou worden, in groot gevaar vanuit Utrecht te worden opgeslokt en ingeslikt.
Het ene na het andere gebied werd, als de politiek-militaire kans zich voordeed, door de keizer overgedaan aan de bisschoppelijke graaf, zo u wilt grafelijke bisschop van Utrecht. Die heeft de claim niet overal kunnen doorzetten, en (waar het wel lukte} niet alle gebieden kunnen vasthouden.
Het latere graafschap Holland en het Noordelijk doordringen van Gelre beginnen eigenlijk pas goed met de tegenbeweging na 1200. Grote delen van het huidige Midden-Holland (inclusief Amsterdam) en wat Gelderland betreft Veluwe en Betuwe gingen voor Utrecht verloren. Terwijl na 1200 ook definitief werd, dat de Utrechtse bisschop de toegekende rechten in Friesland en -voor Ommen in de 13e eeuw belangrijk- Drente niet kon doorzetten.
Het is een van de vele onbeantwoorde vragen van de geschiedenis: hoe zou Nederland er hebben uitgezien, als het 11e-eeuwse Utrecht-project evenveel succes zou hebben gehad als in Luik, Keulen en Münster het geval was?
Vermoedelijk zou Noord-Nederland niet behoord hebben tot het gebied van Bourgondiërs en Habsburgers, had Philips II geen stadhouders in deze streken kunnen benoemen, en was het huis Oranje-Nassau niet Noordelijker dan Breda gekomen ....
Utrecht zou, als gróót wereldlijk territorium en op dezelfde wijze als Luik, Keulen en Münster, hebben voortbestaan tot de Franse Revolutietijd én de Reichsdeputationshauptschluss van 1803. En zou Nederland benoorden de rivieren nu met vanzelfsprekendheid hebben gefigureerd als zeventiende Duits Bundesland ....?
De geschiedwetenschap leeft echter niet bij gratie van het "als". Dus snel terug naar de feiten.
- Die feiten zijn slechts ten dele bekend. Van veel rechten en territoria is niet bekend, hoe ze in de Utrechtse boedel zijn beland en ten dele ook weer zijn verdwenen.
Zoals gezegd, lag het begin bij de kerkelijke immuniteiten - het daarbinnen niet of zeer ten dele onderworpen zijn aan het gezag van anderen. Van die eigendommen met immuniteitsrechten vormde (de nog amper als "stad" te benoemen kerkelijke nederzetting te) Utrecht het grote en centrale blok.
Daar had de bisschop het met zijn kapittelheren feitelijk voor het zeggen.
Naast de immune eigendommen komen dan nog allerlei "rechten" op plaatsen die andermans eigendom waren, zoals vis- en jachtrechten. Een stap verder in de lichting van bestuursrechten is het muntrecht.
In 936 verwerft bisschop Balderik muntrecht te Utrecht, daar mogen voortaan rijksmunten worden geslagen. Langzaam maar zeker komen er ook andere bestuursrechten:
in 998 rechtspreken in Bommel, in 1024 als eerste "echt" (maar ook lastig) graafschap Drente, 1026 Teisterbant, 1040 de "villa" (nog geen stad) Groningen, 1042 Vollenhove, 1046 Deventer en omgeving, vóór 1049 Oldenzaal.
Van veel andere gebieden is niet meer vast te stellen, of -hoe- wanneer ze bij het Sticht gekomen zijn en er soms toch weer buiten geraakt.
Feitelijk zijn er twee territoria overgebleven: het Nedersticht rond Utrecht en het Oversticht, dat in de 16e eeuw Overijssel gaat heten.
- Het spreekt vanzelf dat de Utrechtse bisschoppen als vorst toenemend betrokken geraakten bij alle politieke conflicten, met de buren evengoed als intern binnen het eigen wereldlijk gebied.
De bisschop had als vorst te maken met alle kwesties, waarmee hertogen en graven binnen hun aanpalende staatjes te doen hadden, inclusief het touwtrekken met de eigen onderdanen over de grenzen van de vorstelijke macht, rechten en bemoeienissen. Zat de vorst goed bij kas, dan was hij bij die wedstrijd in het voordeel. Zat de vorst slecht bij kas, doordat hij -vooral in oorlogstijden- méér uitgaf dan aan vaste inkomsten binnenkwam, dan moest hij letterlijk de hand ophouden. Want dat betekent "bede" toch.Dan grepen de onderdanen de kans om bij de vorst uitbreiding van hun rechten te vragen. Zo deden de bewoners van de bij Utrecht gegroeide kooplieden- en handwerkersnederzetting dat, en verwierven aldus in 1122 stadsrechten.
De Utrechtse kapittelheren hadden nog een extra mogelijkheid: na het Concordaat van Worms (1122) kregen ze weer een rol bij de bisschopskeuze. Een uitgelezen kans, om bij iedere keuze bepaalde eisen te stellen aan de te benoemen kandidaat.Hoe stond die vlag van de feitelijke krachtsverhoudingen erbij, toen bisschop Otto in 1248 te Vollenhove de oorkonde inzake Ommen-Stad tekende? Uit de oorkonde wordt dat niet duidelijk. Tot welke financiële bijdragen hebben de Ommenaren zich toen verplicht? Dezelfde als die voor Deventer, Zwolle en Kampen golden - maar hoe lag dáár de verhouding tussen het geduldige papier en de door de feitelijke machtsverhoudingen bepaalde praktijk?
De aldus kort aangegeven verhoudingen intern werden voortdurend zwaar belast vanuit de externe verhoudingen, met name het krijgsbedrijf. Trouwens, inhoeverre moeten de chaotische verhoudingen in het Friese gebied tussen Alkmaar en Lauwers als intern of extern beschouwd worden? En de toestand in een opstandig Drente en het optreden van de heren van Koevorden is daar, niet alleen in 1227, ten nauwste mee verbonden.Over delen van Salland, lag verder een ingewikkelde daim van de graaf van Zutphen en de heer van Bronkhorst. en daarover werd in 1225 oorlog gevoerd, Feitelijk hebben de toenmalige bisschoppen meer te doen gehad met het krijgsbedrijf dan met hun geestelijke taak.
Bisschop Otto II van Lippe lijkt daar weinig bezwaar tegen gehad te hebben. Het eerdere besluit, deel te nemen aan de Vijfde Kruistocht (1217/19), was toch geen noodzakelijkheid. En twee jaar na de Gelderse oorlog van 1225 voerde hij zelf het leger aan, dat op 28 juni 1227 bij Aane verslagen werd, en waarbij hij sneuvelde.
Zijn opvolger Wilbrand werd nadrukkelijk uitgekozen op zijn kwaliteiten als wereldlijk vorst, bestuurder en vooral als krijgsman - wat het laatste betreft had hij zich al als bisschop van Paderborn bewezen.Met hem stuiten we nog op een ander gegeven: de toenmalige Sallandse adel verkeerde nog in het stadium van roofridderschap. De eigenaar van het eerste huis "Het Laar", op de plaats waar Regge en Vecht samenkomen (Ommen dus), maakte zich schuldig aan roof en plundering. Toen de bisschop, in het kader van ordeherstel na de rampzalige nederlaag van 1227, toch al in de buurt moest zijn, veroverde en verwoestte hij in 1230 dat slot.
Een gegeven als dit, geeft minstens één reden aan, waarom men in Ommen wel stadsrechten wilde: het hebben van een eigen omwalling en een eigen militie was in zulke verhoudingen heel practisch.
- Daarmee zijn we in ons verhaal uiteindelijk toch bij Ommen en omgeving beland.
De toestand toen, rond 1248, is niet met die van nu te vergelijken. Grote gebieden in de omgeving waren nog volstrekt onbewoond. En voorzover hier mensen woonden, waren die er pas betrekkelijk laat gekomen.
In het algemeen behoren de hoger gelegen zandgronden tot de oudst-bewoonde van Nederland. Maar voor deze streken gaat die algemeenheid niet op. De boeken die ik er op nasloeg melden, dat de vroegste sporen van bewoning hier niet verder teruggaan dan het begin van de Christelijke jaartelling.Daarmee liggen de stroken langs Regge en Vecht nog altijd zeven eeuwen voor op het gebied langs de Gelderse IJssel, waar het zó drassig was, dat pas na verbetering van de afwatering in de 7e eeuw bewoning mogelijk werd.
In die 7e eeuw komen er uit het Oosten steeds meer Saksen in deze streken binnen. Die worden rond 800 door Karel de Grote onder Frankisch gezag gebracht - en gekerstend. Het laatste ging volgens het toen door de keizer voor het eerst gepraktiseerde uitgangspunt: "water over je kop, of kop eraf".Zelfs in 1600 nog, is in Salland slechts 5% van het territoir als bouwland in gebruik. Er was veel woeste grond. Op die woeste grond liep het vee. Bij de (zeer langzame) toename van de bevolking sluit het verhaal van de ontginningen aan. En daarmee samenhangend, moest tegelijkertijd iets geregeld worden inzake het aldus kleiner wordende areaal aan -bruikbare- woeste gronden. Hoe verdeel je de oogst aan plaggenwinning en wie mag er (hoeveel) vee laten rondlopen?
De politieke geschiedenis van de marken is ten nauwste verbonden met de eerste ontwikkeling van de politieke organisatie op lokaal vlak. Dat geldt hier voor de "ambten" als plattelandsgemeenten op dezelfde wijze, als in het Westen de poldergeschiedenis de vroegste gemeentevorming heeft bepaald.Bij de woeste gronden is, naast bossen, struikgewas en heide, ook aan de veenmoerassen te denken. De ontginning van de venen ten Noorden van de Vecht waarachter Drente zo moeilijk toegankelijk en goed verdedigbaar bleek, is vooral de geschiedenis van 17e tot 19e eeuw. De rol van de baronnen van Dedem is daaraan ook in naamgeving verbonden.
Een van de weinige doorgangen door dat veen lag ten Noorden van Ommen. En zoals die weg zich in Noordelijke richting liet barricaderen, gold het ook in Zuidelijke richting: achter een goede fortificatie kon Salland beveiligd worden. Het kan een tweede reden zijn, dat een stadje op die plek goed paste, zowel in het vorstelijk beleid als bij het verlangen naar veiligheid van de bevolking.
- Maar stedenvorming in een zo armelijk gebied, wat stelt dat eigenlijk voor? In 12e en 13e eeuw zijn er door vorsten en anderen heel wat steden uit de grond gestampt, die nooit tot ontwikkeling zijn gekomen.
Of een stad tot ontwikkeling komt, is van veel factoren afhankelijk, waarvan de geschiktheid van de plaats als eerste te noemen is. Van het éérste bestaansmiddel, drinkwater, was Ommen via Regge en Vecht wel verzekerd. Maar hoe stond het met de mogelijkheid tot bevoorrading van een groter wordend deel van de bevolking, dat niet op eigen grond voedingsmiddelen verbouwt, kortom de aanwezigheid van inkomstenbronnen (nu heet dat "werkgelegenheid") buiten de landbouwsector? Anders zal men nooit verder komen dan een klein agrarisch centrum.
Zijn er lieden genoeg, die inkomen (liefst van elders) genieten uit bestuurlijke aktiviteiten op kerkelijk en/of civiel terrein? Komen er regelmatig bezoekers voor de rechtbank of als pelgrims naar een bedevaartscentrum? Is de plaats een natuurlijke en vooral onvermijdelijke overlaad plek, van grote op kleine schepen (of omgekeerd), of van waterweg op de landweg?Naarmate zulke vragen meer met "ja- beantwoord kunnen worden, is er ruimte voor de zogenaamde verdelende en verzorgende beroepen, en dan wordt de plek ook interessant voor handel en nijverheid. En ook bij de onvermijdelijke tolkantoren ont- staat dan werkgelegenheid.
De opsomming alleen al, verklaart waarom Ommen heel lang een klein stadje is gebleven, dat wel de rechten van het trio Deventer - Zwolle - Kampen had gekregen, maar niet hetzelfde politiek gewicht, laat staan dezelfde vertegenwoordiging in de latere Staten. Als marktplaats wordt Ommen in 1358 vermeld, maar tot 1492 kwam men zonder brug uit.
Maar dat verhaal kan beter verteld worden door de actieve leden van de Historische Kring Ommen. Die kunnen er alles van vertellen, hoe onder de 15e-eeuwse kerk de fundamenten van de eerste kerk van ongeveer 1150 zijn ontdekt, hoe bijvoorbeeld in 1541 door de Ommense magistraat maatregelen werden genomen tegen een teveel aan onroerend goed in het bezit van kloosters, en hoe als -na de Reformatietijd- er in 1860 een katholieke parochie komt, deze het oude kerkje van het toen juist ontruimde eiland Schokland kreeg en daarmee tot 1938 uitkwam.
- Maar weet men ook, dat de bisschop die Ommen stadsrechten gaf, het eigenlijk niet nodig vond, zich formeel tot bisschop te laten wijden. Er is heel wat druk aan te pas gekomen, voordat Otto III -broer van de graaf van Holland- zich pas na twaalf jaar in 1245 bisschop liet wijden.
Het is zeer onwaarschijnlijk, dat deze Otto bij het ondertekenen van de Ommense stadsrechten een geestelijk gewaad heeft gedragen. Mijn gewaad van vandaag is dus zeer onhistorisch! En zal Otto van Holland veel geestelijke woorden bij de handeling hebben gevoegd?Toch gingen bisschop en Ommense stadsbewoners in wezen een verbond aan, met wederzijdse rechten en plichten. En al waren die rechten en plichten de inzet van eeuwenlang touwtrekken, evengoed ging het om rechten en plichten, die in die tijd steeds ook religieuze lading hadden.
Over "mensenrechten" in moderne zin werd toen nog niet gesproken, dat is een uitvinding van vooral de 18e eeuw. Maar, al tweehonderd jaar lang, valt daarbij iets op: er wordt alleen van rechten, niet over plichten gesproken. In 1789 werd dat opgemerkt door Henri Grégoire. Maar zijn voorstel om tot een verklaring van rechten én plichten te komen, heeft het bij de Franse revolutionairen niet gehaald. Met de verklaring van de Verenigde Naties in 1948 is het niet anders gesteld.
Hoe komt dat? Het antwoord werd eigenlijk al in 1725 (Buffier) gegeven:
"il ne faut pas se contraindre, rien n'est moins dans le goûte de notre siècle" - men moet zichzelf geen beperkingen opleggen, dat is niet van onze tijd!
Dan moet je op een dag als vandaag wel in herinnering roepen, dat steden ooit werden opgericht ter bevordering van de veiligheid! Want waar mochten mensen in hun onderling verkeer op rekenen, in en na 1248?U voelt al waar het heen gaat. Aan jubilerende pastoors schrijf ik meestal dat feesten zijn als herbergen langs de levensweg: terugkijken naar wat was, en vooruitkijken naar wat komt. En op die toekomst wordt dan voorschot genomen en een wensdronk uitgebracht.
Als in een volgend program-onderdeel het glas geheven wordt, mag daaraan de wens verbonden worden, dat allen - die - nu - vieren méér bewust mogen worden van de burgergplichten die de keerzijde van de burgerrechten zijn.
Mag dat beginnen in Ommmen?
Dan is er nog meer reden tot een van harte: proficiat!+ dr J.A. de Kok ofm
Hulpbisschop te Utrecht
Inhoudsopgave