Den Ham op de grens van Salland en Twente

De "Twentse" thuiswevers van Mageleres

Door Z.O. BROEK ROELOFS in de rubriek Hammer Historie van DvhO op 2 jan. 1985.


Voor Z.O. Broek Roelofs, van oorsprong uit Vroomshoop afkomstig en tegenwoordig in Almelo woonachtig, is streekgeschiedenis zijn hele leven al een hobby. Ook de historie van Den Ham heeft zich altijd in de warme belangstelling van de voormalige gemeente-ambtenaar mogen verheugen. Over de geschiedenis van het brinkdorp schreef hij een uitgebreide verhandeling, waarvan wij vandaag de laatste aflevering zeven (7) publiceren.


Nog in het begin van deze eeuw waren er behuizingen die geen schoorsteen hadden en waarin de rook z'n weg moest zoeken door het vertrek.

Gebrek aan hygiëne of liever het inzicht wat daartoe dienen moet, was oorzaak van veel slepende ziekten en een korte levensduur. Veel moeders stierven door goedbedoelde maar onzorgvuldige behandeling in het kraambed. Gebrek aan medisch inzicht droeg het hare bij. Barbiers fungeerden oudtijds tevens als heelmeesters en onder hen was groot verschil van aanleg, inzicht of verstand. Veel werd gewerkt met kruiden en overleveringen van wat, al dan niet gegrond, heilzaam was.

Den Ham wordt gerekend te behoren bij Salland. Op oude kaarten wordt de grens met Twente getrokken vanaf de rijksgrens te Striepe bij Langeveen naar het westen, Sibculo. Ten zuiden daarvan in zuidwestelijke richting, ten oosten van Daarle, naar Hellendoorn. Toch behoorde Den Ham in vroeger tijden in bepaald opzicht tot Twente, namelijk de aanwezigheid, in Magele, van thuiswevers. 52 adressen zijn er in 1795 genoteerd. Opmerkelijk is, daardoor misschien, het aantal kleermakers, een achttal. Ook knopenmakers, na Zwolle en Ommen het hoogst in aantal.

De textielnijverheid, het thuisweven, was een noodzaak, een levenskwestie. Magele moet een grote keuterbevolking gekend hebben, die naast de povere opbrengst van hun landbouwbestaan eenvoudig inkomsten uit nevenarbeid niet konden missen. Het aantal onvermogenden in Magele was groot,70%, tegen 50 in het kerkdorp zelf. Om de kerk vestigden zich naast de genoemde kleermakers, vier timmerlieden, twee klompenmakers, vijf schoenmakers, twee bakkers, twee voerlieden en tien handelaren in velerlei goederen.

De buurtschap Magele moet een grote keuterbevolking hebben gehad, die naast de povere opbrengst van de landbouw de eenvoudige inkomsten uit nevenarbeid niet kon missen.

De bevolking ging met grote sprongen vooruit. Stellen we een telling in 1397 als uitgangspunt, d.w.z. de toen aanwezige 58 gezinnen op 100%, dan zijn er 1474 al 80 (138 %) en in 1675 124, gelijk aan 214%. In 1723: 215, in 1748: 268, in 1764: 293. Dit laatste getal is 505% vergeleken bij 1397. In 1795 zijn er dan 1485 inwoners.

In 1602 behoorde Den Ham, bij het aanleggen van lijsten van aanwezige paarden, varkens, schapen en bijen, tot die, waar slechts een geringe kwaliteit aanwezig was. In dat jaar was 4,6 % van de totale oppervlakte bouwland. De bedrijfsgrootte bedroeg gemiddeld 55,25 hectare, het laagst in heel Overijssel. Na Holten overigens de snelst in aantal groeiende plaats in Overijssel wat het inwonertal betreft.

Tegenover 30 grotere boerenbedrijven, waarvan de bewoners gewaard waren in de marke, treffen we het dubbele aantal keuters aan, vooral in het dorp, maar dat is, als nevenbedrijf bij een uitgeoefend ambacht, geen bijzonderheid. In 1601 waren er in Den Ham 36 bedrijven met meer dan 10 mud (plm. 1,5 ha) bouwland. In 1795 zijn het er 41. In twee eeuwen waren er dus maar 6 bedrijven van behoorlijke omvang bijgekomen. Ontginningen in de 18e eeuw vermeerderden de reeds aanwezige cultuuroppervlakte met 10 %, tegen 14 % in de provincie.

De sterke toename van de bevolking van tussen zeg 1474 en 1764 van 80 op 293 gezinnen, met een geringere ontginningsactiviteit dan gemiddeld, kon niet anders leiden dan tot grotere armoede dan die reeds algemeen aanwezig was. 26 % van de totale oppervlakte was cultuurgrond, 74 % lag woest, waaronder speciaal de venen in het oosten. Het aantal runderen per bedrijf bedroeg veelal niet meer dan drie. Waarvan er in 1715 aan een besmettelijke ziekte 38 stierven. In de strenge winter van 1740 bevroren rogge en boekweit, zodat de bevolking zich met een derde van de totale opbrengst moest tevreden stellen en aanvoer van zaaizaad van elders noodzakelijk was.

In Den Ham werd één paard gehouden op een bedrijf, in Ambt Ommen bijna 2, in Ambt Hardenberg 1,5. 15 schaapherders tegen 16 in Ambt Hardenberg en 74 in Ambt Ommen met z'n toen nog vele heide.

Inhoudsopgave