Een eentonig bestaan met af en toe een feest De kale soberheid van het dagelijks leven
Door Z.O. BROEK ROELOFS in de rubriek Hammer Historie van DvhO op 31 dec. 1984.
Voor Z.O. Broek Roelofs, van oorsprong uit Vroomshoop afkomstig en tegenwoordig in Almelo woonachtig, is streekgeschiedenis zijn hele leven al een hobby. Ook de historie van Den Ham heeft zich altijd in de warme belangstelling van de voormalige gemeente-ambtenaar mogen verheugen. Over de geschiedenis van het brinkdorp schreef hij een uitgebreide verhandeling, waarvan wij vandaag aflevering zes (6) publiceren.
Het dagelijks leven was op eenvoud afgestemd, we kunnen wel zeggen: op kale soberheid. De meeste levensbehoeften werden zelf gevormd of vervaardigd. Melk werd tot boter of kaas omgevormd. Vlas en wol tot linnen en bekleding.
Alleen op zondagen of hoogtijdagen werd schoeisel gedragen als men naar de kerk of op visite ging. Anders werd het werk op klompen gedaan. Iedere behoorlijke boerderij had een oven van leem of steen om daarin brood te bakken. Windmolens zorgden voor het malen van graan door de mulder en wie geluk had dicht bij een watermolen te wonen kon daarvan gebruik maken bij windstil weer. Roggebrood het meest, soms twintig pond zwaar. Dit werd in plakken van tien bij twintig centimeter gebruikt. Witbrood werd alleen gegeten bij feesten en begrafenissen. Vandaar misschien de uitdrukking: wittebroodsweken.
Pannekoeken van boekweitmeel, erwten- en bonensoep, gort, wortelen en knollen waren daarnaast de dagelijkse gerechten. Weinig vlees, wel veel spek. Uit raapzaad werd olie geperst, zowel voor de spijzen als voor de verlichting. Een kip werd eerst gegeten wanneer of de kip of de boer ziek was.
Bier en tabak
Naast het drinken van bier kwam het tabaksroken in zwang. Invoering van koffie en thee, als warme drank genuttigd, verhoogde de gezelligheid, ter onderbreking van een eentonig bestaan. Hanen- en ganzengevechten waren wrede bezigheden voor volksvermaak. Kinderen vermaakten zich met hoepels, bikkels, touwtjespringen en kaatseballen (koessieball'n).
Eenmaal per jaar, oorspronkelijk als verjaardag, de naamdag, van de kerk werd er in de kerk een speciale mis gelezen. Na de mis werd het feest buiten voortgezet met drinken en spelen, waarbij het vaak luidruchtig en wanordelijk toeging en soms veten met messen werden beslecht.
Een ieder jaar terugkerende bezigheid was het zgn. turven, het in veen uitgraven van een voorraad brandstof genoeg voor de komende winter. Jacob Oosterlaan dichtte erover: "... Wie niet turft kan zich daarna niet warmen, Wie winst wil doen die reppe hand' en armen". Na het drogen van de aangelegde voorraad moest deze worden opgehaald en bij de boerderij of woning ondergebracht.
![]()
Turfsteken in het veen: "Wie niet turft, kan zich daarna niet warmen. Wie winst wil doen, die reppe hand en armen". Ondanks het grote aantal kinderen, waarvan er vele jong stierven, bleven er per gezin en boerensamenleving toch nog te veel over om allen in het huwelijk te kunnen treden. Om economische redenen, want meer bestaansmogelijkheid was er niet. En zo was de trouwmogelijkheid er alleen voor de oudste zoon, indien deze geestelijk en lichamelijk volwaardig was.
Anders voor een jongere broer. Deze erfde dan, als een soort troonopvolging, bij zijn huwen de boerderij, zodat hij wist waarvoor hij werkte. Onder voorwaarde van vruchtgebruik door de ouders, het aan de haard een plaats inruimen voor de overige broers en het uitkeren van een bruidschat aan de zusters indien deze trouwden.
Een jongere broer, wilde hij trouwen, kon slechts hopen op een erfdochter waar geen broers voorhanden waren. Zo leefden soms tot drie of vier generaties onder één dak. Sociaal gaf dit soms tot spanningen aanleiding tussen de ingetrouwden en de oorspronkelijke bewoners. Vroeg het veel zelfverloochening van de schoondochter tegenover haar schoonmoeder, maar ... moeten is ook wat.
Het economische voordeel van deze situatie was: genoeg arbeidskrachten.
![]()
Werken in het veen als aanvulling op de karige inkomsten uit het keuterbedrijf. Iedere boerderij had de naam van de oorspronkelijke bewoner, b.v. Harmelink, de bewoner van een erf van een zekere Harm of Herman. Had deze geen zoons maar wel een dochter, dan nam de introuwende schoonzoon, afkomstig van b.v. het erf Groothuis, voortaan de naam Harmelink aan. Of hij noemde zich Groothuis op Harmelink. En werd dan beurtelings als Groot of Harmenboer aangesproken. Wat tot verwarring aanleiding gaf onder de niet-ingewijden. De dominee noteerde dan wel na een doop, dat het een kind betrof van Groothuis, wonende op Harmelink, maar dat kind, volwassen geworden, diende zich bij zijn opvolger, bij een voorgenomen huwelijk, aan als Harmelink... Napoleon verbood deze naamsaanneming en beval het blijven dragen van de eens verkregen naam. De gewoonte van het gebruik van huisnamen is echter hardnekkig, zodat vaak iemand een zgn. zondagse naam heeft, die van de kerk en van het kantoor, het gemeentehuis, en de dagelijkse naam, die van het erf, de huisnaam.
De huisvesting was, bij de boeren, in het zgn. lösse hoes, een samenleving van mens en dier onder één dak, zonder de later aangebrachte brandmuur tussen deel en woongedeelte. De deel had een lemen vloer, naast dorsvloer bruikbaar voor bruiloften en begrafenissen. Het woongedeelte had een keitjesvloer. Aan de zijden van het woongedeelte bevonden zich het open vuur, de spinde met aardewerkberging en de bedsteden. Van de deel was afgeschoten een kamer voor het weven, een voor het kamen en een voor het wassen. Paarden en koeien stonden aan weerszijden van de deel opgesteld. De brede schoorsteen boven het open vuur diende als rookkast voor worst en spek.
Inhoudsopgave