Op het snijpunt van twee wegen De verheffing van Den Ham tot kerkdorp
Door Z.O. BROEK ROELOFS in de rubriek Hammer Historie van DvhO op 27 dec. 1984.
Voor Z.O. Broek Roelofs, van oorsprong uit Vroomshoop afkomstig en tegenwoordig in Almelo woonachtig, is streekgeschiedenis zijn hele leven al een hobby. Ook de historie van Den Ham heeft zich altijd in de warme belangstelling van de voormalige gemeente-ambtenaar mogen verheugen. Over de geschiedenis van het brinkdorp schreef hij een uitgebreide verhandeling, waarvan wij vandaag aflevering drie (3) publiceren.
De oppervlakkige voltooiing van de christianisering van de bevolking viel ongeveer samen met de dood van Karel de Grote in 814. Daarna brak de fase aan van intensivering van de zielszorg door de bouw van kleine, eerst veelal houten, primitieve bedehuizen.
Zo was er in Ootmarsum al vroeg een kapel, een godsdienstig centrum met wat er noodzakelijk bij behoort. Toen bisschop Radboud van Utrecht op een visitatiereis door Drente ziek werd, werd hij naar Ootmarsum vervoerd, waar hij overleed. Men schreef toen A.D. 917.
De bisschoppen van Utrecht, hoogste kerkelijke gezagsdragers in deze streken, waren veelal geboren en getogen buiten de Nederlanden en aan een wereldlijk hof politiek en krijgskundig geschoold. De wereldlijke, vorstelijke status overheerste vaak de kerkelijke. Hier, over de IJssel, vanuit Utrecht gezien, werd zijn ambtsgebied, als het Over-Sticht bestuurd vanuit het Sticht.
Verder doorgevoerde kerkelijke organisatie leidde tot de instelling van parochies, kerkelijke eenheden. Het constateren van kerspels is datgene wat aardrijkskundig tot het gebied van een parochie behoort. Veelal werd uit een aantal buurschappen een centraal daarvan gelegen vestiging als plaats van die kerk aangewezen. Waarmee zo'n buuurschap meteen werd verheven tot dorp met een kerk, een kerkdorp. Hier op het snijpunt van wegen van Ommen over Wierden naar Almelo en van Rijssen over Hellendoorn naar Hardenberg.
![]()
Een centraal gelegen vestiging werd als plaats van de kerk aangewezen, waarmee een buurschap meteen werd verheven tot een kerkdorp. In Den Ham ging het om het snijpunt van wegen van Ommen over Wierden naar Almelo en van Rijssen over Hellendoorn naar Hardenberg. Gestimuleerd werd de stichting veelal door bezitters en bewoners van een nabijgelegen havezathe of kasteel. Hier misschien Munnigjeshave. Als een kleine waterburcht met grachten aan de Linderbeek gelegen, zoals in grotere omvang Eerde en Schuilenburg bij Hellendoorn in verbinding met de Regge. Deze waren in de regel de voedselheren van de kerk en stonden in geld borg voor onderhoud van het kerkgebouw en de leeftocht van de pastoor. In ruil daarvoor hadden ze vaak een collatie- of aanstellingsrecht van predikanten, schoolmeesters, voorzangers, klokluiders, kosters en doodgravers.
De parochianen brachten in natura een aanslag in de graanopbrengst op, koren om uit de opbrenst ervan missen te lezen, het miskoorn. Ook wel rookhoenders, gerookt pluimvee in de schoorsteen, voor de leeftocht van de pastoor.
Bestuur
Landstreken, heerlijkheden en steden zijn allengs door de bisschoppen van Utrecht, wat het huidige Overijssel betreft, tot een Oversticht samengevoegd. Ieder gedeelte, hetland van Vollenhove, Salland en Twente had een eigen drost. Met onder hem schouten in de onderscheidende onderhorige eenheden. Wat ze gemeenschappelijk hadden was alleen de band aan de ene landheer, de bisschop.
Eigen recht en instellingen waren behouden. Een nieuwe band ontstond, toen in 1528 de ineenstrengeling van wereldlijk en kerkelijk bestuur werd verbroken. De edelen (de ridderschap) en de drie grote steden Zwolle, Kampen en Deventer namen in dat jaar de graaf van Holland enz., onder ons bekend als Karel V., aan als landsheer. Opgevold door zijn zoon Filips II, die echter in 1581 als Heer werd afgezworen. Toen namen de staten (ridderschap en steden), hoewel in wezen vertegenwoordiging zelf (ook) het bestuur in handen. Van tijd tot tijd werd nog wel een stadhouder als hoge overheid aangenomen en erkend, maar in wezen maakten de staten de dienst uit. De stadhouder fungeerde als bemiddelaar bij het doorhakken van knopen, als rechtrekker van wat scheef dreigde te groeien, gezien vanuit het deelgenootschap in geünieerde Nederlanden.
Ridders
Op provinciële landdagen waren de ridders, zo'n 40 à 50 tal, persoonlijk aanwezig, naast afgevaardigden van de drie grote steden Zwolle, Kampen en Deventer. De kleinere steden zoals Hardenberg, Ommen, Hasselt, Steenwijk, Goor, Ootmarsum, Enschede, Delden en Almelo werden achteruitgedrukt en, ondanks hun verzet, in de praktijk uitgeschakeld. Drie ridders (de drie drosten) en een afgevaardigde van ieder van de grote steden vormden als gedeputeerde staten het dagelijks bestuur van de provincie.
Op het platteland waren de schouten, die onder de drost stonden, als verlengde van het provinciebestuur burgemeester, rechter - te vergelijken met kantonrechter - en notaris tegelijk. In Den Ham veelal met Ambt Ommen onder één persoon, bijv. Van der Wijck die in Archem woonde. In 1811 zijn deze drie functies gescheiden. Zij het dat nog tot ongeveer 1840 de schouten vaak het notarisambt tevens waarnamen, waarbij het laatste het hoofdberoep was. Soms tot nadeel van de gemeenteadministratie, omdat ze naast schout veelal ook secretaris warèn. Met een klerk voor het schrijfwerk.
De schouten op het platteland werden door het provinciebestuur aangesteld. Voor het platteland gold het landrecht van Overijssel, door een ingezetene van Ootmarsum in de zestiende eeuw, Melchior Winhof, bijeengevoegd en gepubliceerd. Voor de steden golden, als enclaves in de landrechtgebieden, eigen reglementen.
Inhoudsopgave