Het komende grootgrondbezit

't Leven van de keuters in buurtschappen

Door Z.O. BROEK ROELOFS in de rubriek Hammer Historie van DvhO op 24 dec. 1984.


Voor Z.O. Broek Roelofs, van oorsprong uit Vroomshoop afkomstig en tegenwoordig in Almelo woonachtig, is streekgeschiedenis zijn hele leven al een hobby. Ook de historie van Den Ham heeft zich altijd in de warme belangstelling van de voormalige gemeente-ambtenaar mogen verheugen. Over de geschiedenis van het brinkdorp schreef hij een uitgebreide verhandeling, waarvan wij vandaag aflevering twee (2) publiceren.


Economisch waren de buurtschappen en hun bewoners verenigd in een marke. Zeggenschap en stemrecht hadden daarin alleen zij die op een geërfd eigendom, de zgn. eigenerfden, hun bedrijf uitoefenden. Het recht daartoe werd het waarrecht genoemd.

Iemand kon gewaard zijn in een marke. Het recht was verhandelbaar. De keuters hadden geen stemrecht, werden geduld. Maar deelden wel in de verdeling van de gemeenschappelijke gronden, die allerwege in het midden van de vorige eeuw plaatsvond.

Aan het hoofd van een marke stond een markerichter. Soms gekozen, soms ook een erfelijke functie, wanneer ze bekleed werd door bv. een hof- of kasteelheer, d.w.z. door iemand die in geld en/of goed ver boven zijn medegewaarden uitstak.

De vergaderingen van de gewaarden werden holtingen genoemd, waarin de belanggen van de gewaarde markebewoners werden besproken in het licht van de behering en verdediging van de gemeenschappelijk bezeten gronden. Ook de onenigheden. Zo met Vriezenveen van 1740 tot 1751 het eigendom van het daardoor zo geheten Twistveen. Met Beerse over het plaatsen van bijenkorven in de marke van Den Ham. Met Pallandt tot Eerde in 1773 als grootgrondbezitter.

Van 1740 tot 1751 werd met Vriezenveen getwist over het eigendom van het Twistveen, een stuk gemeenschappelijke grond van markebewoners.

In zo'n buurtschap of marke werden hoven aangetroffen. Genoemd werd reeds de hof Heemstede; welke naam wellicht in Heemsteres voortleeft. Zo'n hof was een boerenbedrijf, dat door een grootgrondbezitter als een bisschop, een klooster, was uitgekozen om als centrumplaats van betaling van pacht in natura te dienen.

Horigen

Zoals steeds waren er van tijd tot tijd boeren, die zich op hun bedrijf, tengevolge van tegenslag, ongeschiktheid of ziekte niet konden handhaven. Zij probeerden dit dan over te doen aan een rijkere grondbezitter om dan voortaan als zijn pachter voort te leven en te werken. Zo ontstond het grootgrondbezit met her en der verspreide hoeven.

Aan dat pachterschap was een zekere onderhorigheid verbonden jegens de eigenaar, de heer, Hofhorigheid genoemd. Bestaande uit verplichtingen naast het opbrengen van een pachtsom. B.v. in het verrichten van arbeid ten dienste van de heer. Met de hand, met de schop of met een meegebracht paard voor een wagen. Hand- en spandiensten ter verbetering van verbindingswegen door de heer gebezigd ter behartiging van zijn belangen. Sociaal betekende de horigheid een persoonljk niet geheel vrij zijn in het doen of laten t.a.v. verhuizing of huwen. Het ontslaan uit die horigheid om die redenen kon alleen tegen betaling of ruil. Ruil m.b.t. huwen met een geheel vrije, met een die zich dan onder de horigheid begaf, een zgn. wederwissel. Een horige werd vrij en een vrije begaf zich onder de horigheid.

Soms werd de horigheid ten volle in een verkoopsom omgezet. Na de Franse Revolutie is de horigheid afgeschaft en werden de horigen van aan de staat als domeingoederen vervallen hoeven van b.v. voormalige kloosters, in de gelegenheid gesteld het door hen bewerkte bedrijf in eigendom te verkrijgen. Zo'n hoofdhof was weliswaar in een buurtschap gelegen, maar omvatte als centrumplaats alleen de bij de eigenaar van de hof betrokken bedrijven. De bewoner ervan was een Meijer of Hofmeijer. Een grootgrondbezitter als een bisschop, een klooster, had om de tien kilometer zo'n hof.

Christendom

De gedachte, dat er in onze streken belangstellend of zelfs reikhalzend is uitgezien naar de prediking van het Christendom is onjuist. Met Saksenhardheid is er terug geslagen om de verering van geesten als Wodan, Donar of Frija plaats te doen maken voor de aanbidding van een gestorven Heer aan een kruis en een uit de dood opgestane Heiland.

Maar van overheidswege is er met even grote hardheid opgetreden om het Christendom tot staatsgodsdienst te verheffen. Gebieds- en machtsuitbreiding waren de begeleidende verschijnselen daarvan. Wittekind en zijn medestanders hebben de strijd aangebonden om Karel de Grote en zijn mannen te weerstaan. De Saksen waren echter niet opgewassen tegen de beter bewapende troepen van Karel en zodoende werd in 777 het pleit ten voordele van de Frankische macht beslecht.

Het meest kenmerkende in de cultuursfeer van die dagen van de toenmalige bewoners, het verbranden van lijken, werd verboden. Wie zich daarmee toch nog bezighield, zou in de deur van zijn woning worden opgehangen. Tot lering en afschrikking van anderen. Met kracht en geweld zijn de zendelingen in hun vreedzaam werk begeleid. Toch zijn de sporen van geestenverering in de zin van bezwering van hun doen en laten, nog niet geheel uitgestorven.

Het klokluiden bij sterven en begrafenis. Het afsteken van paasvuren, van vuurwerk bij een jaarwisseling. Het vernoemen van dagen van de week naar goden. Het omzetten van het Zonnewendefeest na de kortste dag in een Kerstfeest. Symptomen om heidense gebruiken niet te verbieden maar om te zetten in christelijke.

Inhoudsopgave