Onophoudelijk veranderende stroombeddingen

Het "schiereiland Den Ham" vlak na ijstijd

Door Z.O. BROEK ROELOFS in de rubriek Hammer Historie van DvhO op 22 dec. 1984.


Voor de heer Z.O. Broek Roelofs, van oorsprong uit Vroomshoop afkomstig en tegenwoordig in Almelo woonachtig, is streekgeschiedenis zijn hele leven al een hobby geweest.
Die hobby heeft hij vooral na zijn pensionering als gemeente-ambtenaar in Tubbergen, verder ontwikkeld.
Zo is hij er een paar jaar lang, drie dagen in de week, mee bezig geweest om orde te scheppen in de grote chaos van het archief van de vroegere gemeentes Stad- en Ambt-Almelo dat in de kelders van het Almelose gemeentehuis ligt opgeslagen. Broek Roelofs maakte er een voor ieder toegankelijk archief van.
Ook de historie van Den Ham heeft zich altijd in zijn warme belangstelling mogen verheugen. Hij kent de plaats vooral uit de tijd, dat zijn vader dominee was van de gereformeerde gemeente in Vroomshoop (van 1921 tot 1946).
Over de historie van het brinkdorp schreef hij een uitgebreide verhandeling die hij als titel meegaf:

Wandelingen vanuit Den Ham door maatschappij, kerk en staat in het verleden.

Die verhandeling publiceren wij in zeven afleveringen waarvan vandaag de eerste.
De andere afleveringen verschijnen op 24, 27,28, 29 en 31 december 1984, en op 2 januari 1985.


Het smeltwater van de eindigende ijstijd veroorzaakte kronkelende stroombeddingen, onophoudelijk aan verandering onderhevig.

Zo ontstonden talloze eilanden, als Sibculo en Daarle en schiereilanden zoals Den Ham. De daardoor gevormde hogere gebieden duiden we aan met horsten of haren. De kleinere, veelal gerooide oppervlakten, heten kampen. De lagere heten slenken, horsten, flieren of goren. De essen zijn, als cultuurgronden, door voortdurende bemesting in duizend jaar met een meter humusgrond opgehoogd. De vlakkere horsten kregen op een schrale, zanderige bodem een heidelaag. Door eveneens eeuwenlang gebruik van heideplaggen ter vermenging met koemest liepen die heidegronden gevaar ontbloot te worden en daardoor te veranderen in zandverstuivingen. Vandaar de naam Zandstuve, eerst door omwalling bedwongen, later bebost.

De heidegronden liepen - door het eeuwenlang gebruik van heideplaggen die met koemest werden gemengd - gevaar te veranderen in zandverstuivingen. Vandaar de naam Zandstuve, waarvan de eerste verstuiving door omwalling werd bedwongen, later door bebossing.

Den Ham bevindt zich op een verhoging tussen Beerse en Wierden, op het Hoge Hexel het best zichtbaar. Tussen een veel hogere rug van Besthmerberg tot Holterberg in het westen en een dito van de Wielerberg in de Graafschap tot de Tankenberg bij Oldenzaal.

De middelste rug wordt, in het noordwesten, ter hoogte van de Groene Jager, doorsneden door de Hammer Wetering en in het zuidoosten in een dal, Dalvoorde geheten, door de eerste Daarlerbeek, daarna Linderbeek, toen nog niet geregulariseerd. Door deze beide stroompjes vloeide veenwater naar het westen. Doordat veen watervasthoudend is, met daardoor een tragere afvloeiïng dan uitsluitend na regenval, bevatten deze beddingen vanuit het Hammerveen en het Daarlerveen ook in droge tijden nog water. Van een kaart uit 1550 is af te lezen, dat beide stroompjes veelvuldig buiten hun oevers traden.

Beide waterden ze af op de Regge, toen nog een sterk kronkelende watergang, met vele ondiepten en voorden. Overstromingen, ook veroorzaakt door bij sterke noordelijke winden verhindering van afvloeiïng in de Vecht, met zelfs Vechtwater stroomopwaarts gestuwd. Op de door genoemde stroompjes gevormde landtong of ham ligt Den Ham tussen deze beide beken. Linde in de nabijheid van de Linderbeek. Noordmeer en Zuidmeer, door een intercommunale weg van elkaar gescheiden, aan de Regge, waarvan door genoemde overstromingen de invloed veel groter was dan nu. Magele, een buurtschap apart, tegen een bouw-es aan. De huidige bebouwde kom van Den Ham beslaat een aanzienlijk deel van het vroegere Magele, oorspronkelijk wijk B van de burgerlijke gemeente.

De stroombedding van de Regge.

In 1406 werd, zoals uit een oorkonde van een Utrechtse bisschop blijkt, overeengekomen, dat een weg zou worden aangelegd van "de Hamme" naar Almelo, over de Daarlerhaar. Met een brug over de Linderbeek ter vervanging van de letterlijke Dalvoorde.

Eerste bewoning

Toen de allereerst hier wonende mensen nog een zwervend bestaan leidden van de ene plaats naar de andere, werd geleefd van de opbrengst van de natuur, waarvan ze afhankelijk waren. De opbrengst van wilde dieren en vissen, van planten en wilde vruchten. Daarna keerden de rollen om. De mens was niet meer onderworpen aan de natuur en wat die beliefde te leveren, maar de natuur werd aan de mens onderworpen, doordat hij zich de eerste beginselen van landbebouwing eigen maakte. Hij leerde ook enkele diersoorten te temmen en wel die welke hem trekkracht, vlees, melk en wol konden verschaffen. In plaats van voedselzoeker werd de mens voedselkweker.

Terwille van het houden van dieren was de mens genoodzaakt zijn zwerversbestaan door een vaste woonplaats te vervangen. Bij voorkeur werd deze gezocht in de nabijheid van stromend water. Plaats van bedrijfsuitoefening werd veelal verkregen door het rooien van bos. Door gebrek aan mest was in de eerste tijden de bodem spoedig uitgeput en moest elders opbrengst worden gezocht. De verlaten grond veranderde in heide.

Dat zich neerzetten, zich binden aan een vaste plaats, gebeurde niet solitair; alleen, maar steeds met een aantal tesamen. Zo ontstaat de samenleving van buren en als buren. De oudste van de nu meer gevarieerde vorm van grote en kleine steden, kerkdorpen en buurtschappen.

In dat tesamen wonen als buren onderkennen we een sociaal en een economisch element. Sociaal, omdat de mens is ingesteld op gezelligheid, gedachtenwisseling, meedoen, meedenken en meeleven. Economisch om elkaar behulpzaam te zijn in het ontbrekende. Wat de een niet heeft, heeft de ander soms. Burenhulp omvat beide elementen: de persoonlijke bijstand bij ziekte, het lenen van paard of ploeg bij de arbeid. We moeten ons van de volkrijkheid van die buurschappen geen verkeerde voorstelling maken. Zo vinden we vóór 1500 onmiddellijk in en om Den Ham elf bewoonde erven genoteerd van enige betekenis. Waaronder de namen Lijfferdinck, ter Halle en daarnaast als Hof: Heemstede. In Linde twee, in Magele zes, en in Meer vier waaronder een erf Middendorp. Naast deze normale boerenbedrijven, de zogenoemde volledige of volle hoeven waren er in zo'n buurschap ook een aantal behuizingen die de naam boerderij nauwelijks konden dragen. Bewoond door keuters, katers of koters. Ontstaan toen er geen te ontginnen grond beschikbaar was of niet meer gemist kon worden om een nieuwe, volle hoeve te vormen.

Inhoudsopgave